Abouzahra- Rietveld-fauteuil (2019)

Foto Studio Pim Top

Reportage

Bij design is diversiteit nog steeds een behoorlijke uitdaging

Diversiteit in design In bijna alle culturele disciplines is er tegenwoordig aandacht voor makers met een niet-westerse of biculturele achtergrond. Aan de designwereld lijkt de oproep tot dekolonisatie voorbij te gaan. ‘Het resulteert in een soort designfolklore.’

De stoel springt er meteen uit in de zaal. Van de tien aankopen die het Centraal Museum in Utrecht in 2020 op het gebied van design deed, heeft alleen het ontwerp van Mina Abouzahra een uitgesproken kleur.

Helemaal van haarzelf is het ontwerp niet. Abouzahra (44) heeft zich een functionele, in 1959 ontworpen stoel van Wim (zoon van Gerrit) Rietveld toegeëigend. Ze laat de stoel produceren en bekleedt hem met door haar ontworpen stoffen die ze „voor een faire prijs” laat maken door Amazigh-vrouwen – vroeger Berber-vrouwen genoemd – in Zuid-Marokko. Haar textielontwerpen zijn abstract, maar uitbundig symbolisch. Kijk je naar de Abouzahra & Rietveld-fauteuil (2019), dan is het alsof twee culturen, twee tradities versmelten: Rietvelds afkeer van overbodige frutsels gaat samen met het kleurige Marokkaanse handwerk dat kleine individuele foutjes kent en intimiteit uitstraalt.

In veel culturele sectoren is het allang geen nieuwtje meer om makers en professionals aan te treffen uit alle uithoeken van de wereld en met allerlei achtergronden. Bij de prestigieuze Prix de Rome-tentoonstelling, die in november in het Stedelijk Museum in Amsterdam opent, hebben drie van de vier genomineerden een dubbele culturele achtergrond of zijn ver van Nederland geboren. Op internationale biënnales, kunstbeurzen, grote groepstentoonstellingen en fotofestivals zijn line-ups al tijden heel divers. Ook in de modewereld is een inhaalslag gaande; bij de laatste editie van Amsterdam Fashion Week had een aanzienlijk deel van de deelnemende ontwerpers een biculturele achtergrond. Maar bij design, en dan met name meubel- en productvormgeving lijkt het tableau akelig leeg. Mina Abouzahra is de eerste en enige Nederlands-Marokkaanse ontwerper met een meubelontwerp in een Nederlands museum.

In het onlangs verschenen boek Design Struggles schrijven de Zwitserse designhoogleraar Claudia Mareis en de Braziliaanse curator en designactivist Nina Paim: „Historisch gezien is het westerse design (…) altijd een beperkt en exclusief domein geweest dat denkt dat het universeel is.” Maar design, aldus de twee, „worstelt vandaag de dag met zijn modernistische en naoorlogse erfenis, een erfenis die gebaseerd is op kolonialistische en imperialistische grondvesten.”

Bij de opening van de Salone del Mobile, de belangrijkste beurs op het gebied van interieurdesign in Milaan, zei de nieuwe president Maria Porro vorige maand dat inclusie bij design „nog steeds een toekomstige uitdaging” is. De Amerikaanse journalist Maria Hunt riep vorig jaar in het interieurtijdschrift House Beautiful op om de designwereld te dekoloniseren door de designcanon en de grote namen die daarbij horen opzij te schuiven, te vergeten wat we weten over Bauhaus, het Nieuwe Wonen, over vorm die de functie volgt, en less is more. Ons te verdiepen in andere culturen en tradities, te kijken naar onbekende dingen, leren.

Designfolklore

Cok de Rooy zucht. „Er zijn gewoon geen Nederlandse designers met een migratieachtergrond”, zegt hij. Dit ondanks het feit dat inmiddels bijna 25 procent van de Nederlandse bevolking volgens het Centraal Bureau voor Statistiek een migratieachtergrond heeft. De Rooy is eigenaar van The Frozen Fountain in Amsterdam – als winkel/galerie in avant-gardistisch design een begrip tot ver buiten de landsgrenzen. In De Rooys winkel en op zijn website staan tafels, stoelen, banken, lampen, vazen van ontwerpers uitsluitend uit Europa, Amerika en een enkele keer Azië. „Dat doe ik niet expres hoor”, zegt hij. „Goede ontwerpers vertalen de tijd en zeggen iets over de toekomst. Daar selecteer ik op. Ik let helemaal niet op achtergrond of afkomst.”

Ook Timo de Rijk, directeur van het Design Museum in Den Bosch en tot 2016 hoogleraar Design, Cultuur en Samenleving aan de TU Delft is niet geïnteresseerd in de achtergrond van makers. „Ik vind de roep om dekolonisering en de aandacht voor culturele identiteit in design en kunst een grofstoffelijke discussie”, zegt hij. „In de praktijk bevestigt die clichés en staat met de rug naar de toekomst. Het resulteert in een soort designfolklore, waarvan je de claims niet al te serieus moet nemen.”

Verblijfsvergunning

Hoe weinig productontwerpers je in Nederland ook mag treffen met een biculturele achtergrond – en Abouzahra zegt desgevraagd „niemand” te kennen met een achtergrond als die van haar – opleidingen in Nederland zijn heel internationaal. Anne van der Zwaag, directeur van de jaarlijkse designbeurs Object in Rotterdam, bezoekt veel eindexamens, kleine beurzen en presentaties om daar jonge, getalenteerde ontwerpers te scouten. Zij ziet, net als De Rijk, op de academies weliswaar nauwelijks Nederlandse designstudenten met een migratieachtergrond, maar wel „heel veel studenten uit Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en Azië”. Na het eindexamen vertrekt het gros echter weer naar huis, noodgedwongen, bij gebrek aan een verblijfsvergunning.

Thomas Lommée, studieleider aan de maatschappelijk geëngageerde afdeling The Morning Studio van de Design Academy in Eindhoven, bevestigt dit. „Op de Design Academy zitten studenten van over de hele wereld.” Lommée signaleert niet zozeer een onderscheid naar achtergrond, maar naar welvaart. „De meeste studenten hier hebben rijke families die het collegegeld kunnen betalen.” Niet-Europese studenten betalen tot bijna vijf keer meer dan Europese.

Design worstelt met zijn modernistische erfenis, een erfenis gebaseerd op kolonialistische en imperialistische grondvesten

Claudia Mareis en Nina Paim Zwitserse designhoogleraar en Braziliaanse curator en designactivist

Daarbij, zegt Lommée, „is een opleiding aan een conceptuele opleiding als de Design Academy niet zonder risico. Er is geen garantie op succes als individueel ontwerper. Dus ouders moeten die kostbare gok durven en kunnen nemen.”

Voor afgestudeerden aan andere afdelingen van kunstacademies is de toekomst natuurlijk eveneens ongewis. Een extra complicatie bij productontwerp is dat het een relatief nieuwe discipline is, zegt Anne van der Zwaag. „De term zoals wij die nu gebruiken, werd pas na de Tweede Wereldoorlog gangbaar. Emancipatie is altijd een langzaam proces – niet alleen op het gebied van diversiteit maar ook op het gebied van man-vrouwverhoudingen. Ook daar loopt productontwerp achter in vergelijking met mode en fotografie bijvoorbeeld.”

Bovendien, zegt zij, speelt er nog een ander, vaak impliciet vooroordeel mee. „Als Nederlandse ontwerpers naar Japan of Afrika reizen om zich in lokale technieken te verdiepen, vindt iedereen dat prachtig. Als een Malinese ontwerper met dezelfde technieken werkt, heten zijn producten plotseling ‘etnisch’.”

Industrie

Ook Ingeborg de Roode, sinds 2001 conservator Industriële Vormgeving in het Stedelijk Museum in Amsterdam, zegt dat er bij meubel- en productvormgeving relatief weinig ontwerpers met een biculturele of migratieachtergrond actief zijn. „In de wereld van het industrieel ontwerp speelt de industrie een grote rol: díé verstrekt de opdrachten. Als industrieel ontwerper heb je je te verhouden tot producenten – zij zorgen ervoor dat jouw ontwerp massaal geproduceerd kan worden. Je kunt niet in je studio autonoom producten maken. Daarbij nemen producenten vanwege de hoge investeringen ook minder snel risico’s, dus de ontwikkeling in die sector gaat traag, trager dan in andere sectoren.”

Niettemin: voor wie „bewust kijkt en bewust kiest”, zoals Anne van der Zwaag zegt, is er wel degelijk designtalent met een niet-westerse of biculturele achtergrond te vinden.

Zo bood Van der Zwaag Moe Kim (28) een podium aan op haar beurs. Kim, die op haar twintigste vanuit Seoul naar Nederland kwam – „het Nederlandse design staat hoog aangeschreven”, zegt ze – studeerde in 2019 als textielontwerper af aan de Koninklijke Academie in Den Haag met het project 2XL, een gigantisch handgeweven, contrasterend gekleurd kleed met lichtsensoren. Het kleed is een kunstwerk dat oplicht als je de sensoren aanraakt, maar het is ook als tent, als shelter, te gebruiken. Ze won er de aanmoedigingsprijs van de Haagse kunstinstelling Stroom mee en presenteerde het onder andere op de Dutch Design Week. Dankzij haar Italiaanse man kreeg ze een verblijfsvergunning. Ze probeert nu vanuit Nederland in haar ontwerpen een brug te slaan tussen haar eigen land en Nederland.

Tapijten

Ook Siba Sahabi (42) slaat die brug. Sahabi woont en werkt in Amsterdam. Dankzij haar Duitse paspoort kon ze in Nederland blijven na haar studie. Sahabi groeide, zoals zij het noemt, in Aken letterlijk op „tussen de tapijten”. Haar in Iran geboren ouders volgden allebei een ingenieursstudie in Duitsland, maar openden na hun afstuderen een winkel in Perzische tapijten – dat bracht meer geld op.

Tijdens een reis door India in 2002 ontmoette Sahabi een docent van de Amsterdam se Gerrit Rietveld Academie, die haar adviseerde toelating te doen. Ze studeerde toen aan de Hochschule für bildende Künste in Hamburg, waar de nadruk lag op handwerk en het maken van prototypes. Op het Design Lab op de Rietveld draaide het om concept, innovatie, experiment.

Sahabi’s werk omvat vazen van wit papier en diepblauw vilt, strakke, geometrische bijzettafels en ook autonoom design. Ze concentreert zich op de vertaling van het Perzische culturele erfgoed naar een hedendaagse, vaak abstracte esthetiek. Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie kende haar een aantal keer een subsidie toe, en ze geeft les op de Rietveld en de Willem de Kooning Academie. Ook Moe Kim is verbonden aan de Willem de Kooning Academie.

Mensen schrijven me dat ze eindelijk hun erfgoed, hun tradities herkennen in het museum

Mina Abouzahra meubelontwerper

Dat de stoel van Mina Abouzahra in het Centraal Museum belandde, kwam doordat Natalie Dubois, conservator Vormgeving en Toegepaste Kunst in het museum er „toevallig” op stuitte bij een tentoonstelling in het Van Eesteren Paviljoen in Amsterdam. Voor de tentoonstelling Stoel neemt stelling, begin volgend jaar, is ook zij „bewust” op zoek naar „de unusual suspects”. „Ik kijk met enige gêne terug op mijn werk”, bekent Dubois, die twintig jaar bij het museum werkt. „Lange tijd is ook voor mij de traditionele canon van vormgevers maatgevend geweest. Maar ik leer. Als museum zijn we een van de initiatiefnemers van het platform Musea Bekennen Kleur, dat culturele diversiteit nastreeft. Ik spreek veel mensen. Ik kijk anders. En ik stel me kwetsbaar op.”

Amanda Pinatih is sinds 2021 conservator Vormgeving bij het Stedelijk Museum in Amsterdam. Zij probeert met haar collega De Roode „zeker met een andere bril” te kijken en aan te kopen. In de nieuwe collectieopstelling Tomorrow is another Day in het museum staat in de designzaal nu werk van een paar ontwerpers met een gemengde achtergrond. Onder hen de aan de Design Academy afgestudeerde Don Yaw Kwaning, die een onderzoek toont naar de verwerking van de woekerplant pitrus tot hoogwaardig verpakkingsmateriaal en ook een tafel. Kwaning heeft Ghanese wortels, maar dat wordt nergens expliciet. „Dat vinden ontwerpers niet altijd belangrijk, maar wij kijken daar wel naar”, zegt Pinatih. „We letten ook op achtergrond als we nieuwe aankopen doen of tentoonstellingen maken.” De Roode: „Net zoals we tegenwoordig meer kijken naar de man-vrouwverhouding.”

Zoektocht

Voor Mina Abouzahra is die afkomst wel en altijd van belang. „Ik word er emotioneel van als mensen me op mijn afkomst aanspreken”, zegt Abouzahra, die de koksopleiding in Enschede volgde voordat ze naar Amsterdam verhuisde om aan Academie Artemis en daarna het Hout- en Meubileringscollege styling en meubelontwerp te studeren. „Dat komt omdat ik met heel hard werken op een bepaalde positie ben gekomen, een platform heb. Ik organiseer tentoonstellingen, ik krijg heel veel hulp van mensen uit de culturele sector, en ik probeer zelf jongeren met een vergelijkbare dubbele afkomst als de mijne te inspireren. Mijn eigen zoektocht heeft lang geduurd – en ik ben er nog niet. Dat vertel ik ze. Mijn ouders zeiden altijd tegen me: pas op, gedraag je. Ik heb daar last van gehad, ja, me ertegen verzet. Nu, dankzij mijn reizen naar Marokko en het samenwerken met Amazigh-vrouwen, ben ik mijn ouders, mijn erfenis, beter gaan begrijpen.”

Dat haar Rietveldstoel in het Centraal Museum staat, is „heel belangrijk”, zegt ze. „Ik heb veel positieve reacties uit de Marokkaanse gemeenschap gehad. Mensen schrijven me dat ze trots zijn dat ik dit heb bereikt. Ze schrijven dat ze eindelijk hun erfgoed, hun tradities herkennen in het museum. Dat vind ik ontroerend mooi. Ik zeg dit niet omdat ik nog meer stoelen aan musea wil verkopen, maar omdat ik het gevoel heb dat we dit met z’n allen hebben bereikt: de hele Marokkaanse gemeenschap. Dat we met z’n allen deze zoektocht naar onze wortels hebben ondernomen. Dat we er vrede mee hebben dat we in twee werelden zijn opgegroeid. De brug is geslagen. De boom groeit en gaat vrucht dragen.”

Mina Abouzahra Minimalisme en maximalisme

Mina Abouzahra en Vloerkleed Amizmiz (2021)

De weg naar het meubel- en stoffenontwerp was een moeizame voor Mina Abouzahra (Enschede, 1977). Haar ouders komen uit Marokko en vonden het „helemaal niks” dat ze meubelontwerp ging studeren. Ze moest „een schone studie” gaan doen als rechten, zeker geen beroep kiezen waarbij ze met haar handen bezig is. Dat staat in Marokko laag aangeschreven. Het allerlaagst in aanzien staan de tapijtwevers en -knopers. Abouzahra reisde tientallen keren naar Zuid-Marokko, won het vertrouwen van vrouwelijke tapijt- en stofwevers, verdiepte zich in het ambacht. Haar eerste ontwerpen waren kussens gemaakt van oude Amazigh-stof, gecombineerd met stoffen van het Deense Kvadrat. Toen de Amsterdamse designwinkel Mobilia die in 2012 opnam in het assortiment, was haar bedrijfje een feit. „Ik wist: dit is wat ik wil en ik ga al doende leren. Ik wil een combinatie van hier en daar, Marokko en Nederland, van toen en nu, handmatig en machinaal, minimalisme en maximalisme.”

Siba Sahabi Brug tussen het Westen en Midden-Oosten

Siba Sahabi en Vaas Blue Alchemy (2016) Foto Vaas: Lisa Klappe

Siba Sahabi (Aken, 1978) is van Duits-Iraanse afkomst. Van begin af aan heeft ze in haar praktijk bewust bruggen geslagen tussen het Westen en het Midden-Oosten. In het Midden-Oosten ligt een reservoir aan intellectuele rijkdom waar ze zich door laat inspireren. De eerste hymne komt uit het zuiden van Mesopotamië. De uitvinder van het perspectief was een tiende-eeuwse astronoom en wiskundige uit Caïro, en leefde lang voordat in de Renaissance het lineaire perspectief werd uitgevonden. En Euclides van Alexandrië was de vader van de geometrie. In de audiovisuele installatie Nuffar (2018) – de plek waar de eerste hymne werd ontdekt – bewegen zwarte driehoekjes in een vierkant frame op geluid. Euclid (2016) bestaat uit drie zwart metalen bijzettafeltjes die ieder de vorm van een geodriehoek hebben. En haar vazen van blauwe vilt en glas – Blue Alchemy (2016) – refereren aan het eerste door de mens gemaakte pigment in 2600 voor Christus.

Moe Kim Kleden waarin culturen samensmelten

Moe Kim en 2XL (2019)

Moe Kim (Seoul, 1993) is zich ervan bewust dat ze nu in een land woont waar ze de tradities niet kent. Die situatie doet haar, zo zegt ze, „beter naar de tradities in Zuid-Korea kijken”. Als inspiratiebron noemt ze de zestiende-eeuwse zeevaarder Jan Janszn Weltevree. Weltevree zette als eerste Westerling voet aan land in wat toen nog Choseon heette, het tegenwoordige Korea. Omdat Choseon een gesloten land was, kwam Jan Weltevree voor de keuze te staan: blijven en zich aanpassen of gedood worden. Hij besloot om zich aan te passen, huwde een Koreaanse vrouw en leefde verder onder de naam Pak Yon.

Dit versmelten van verschillende culturen maakt Kim zichtbaar in verschillende, abstracte weefsels en breisels. Haar kleden bestaan uit een combinatie van felle en zachte kleuren, van opgloeiende lichtsensoren en zacht getuft textiel. Bij licht voelt Kim zich veilig – daarmee is ze als kind vroeger omringd in Seoul. Elk weefwerk is voor Kim een persoonlijk verhaal, waarin de schering staat voor het leven en de inslag voor de dingen die gebeuren.

Foto’s portretten Lin Woldendorp