Analyse

De zzp’er is de grote verliezer in de cultuursector

Einde coronasteun Nu de coronasteun aan de cultuursector stopt, blijken grote instellingen de winnaars en zzp’ers de verliezers. Zij hebben structurele steun nodig, vindt de Kamer.

De voorstelling Krapps laatste band van Het Nationale Toneel. Foto Koen Veldman
De voorstelling Krapps laatste band van Het Nationale Toneel.

Foto Koen Veldman

Veel grote culturele instellingen staan er financieel goed voor – en sommigen zelfs beter dan voor de coronacrisis – omdat ze steun ontvingen en minder uitgaven hadden. Dit blijkt onder meer uit onderzoek van de podiumkunstenorganisatie NAPK over 2020. Zo sloot de Amsterdamse theatergroep ITA bijvoorbeeld 2020 af met een positief resultaat van 3,6 miljoen euro, dat is opgepot voor slechtere tijden. De NAPK wil dat de zo opgebouwde reserves ‘meegenomen’ kunnen worden naar de komende jaren, om de verwachte inkomensderving volgend jaar en daarna op te vangen, schreef de organisatie eerder deze maand aan de Tweede Kamer.

De Kunstenbond en andere organisaties pleiten ervoor om dat geld niet op te potten, maar door te geven aan de noodlijdende zelfstandigen (zzp’ ers) in de cultuursector; meer dan zestig procent in deze sector werkt op tijdelijke contracten of als zzp’er. Zij hebben, net als kleinere culturele instellingen, wel zwaar te lijden gehad onder de coronacrisis. De flexibele schil van cultuur-zzp’ers heeft, anders dan grote instellingen, minder geprofiteerd van de in totaal 3,1 miljard steun aan de cultuursector.

De sector heeft 1,4 miljard euro van de generieke inkomenssteun gekregen, maar daar kon lang niet iedereen uit de ‘flexibele schil’ aanspraak op maken. Vooral niet nadat naar analogie van de bijstand, de partnertoets werd ingevoerd; werkende partner? – geen steun.

De bedoeling was bovendien dat een deel van de 1,7 miljard euro sectorspecifieke steun aan de instellingen zou doordruppelen naar zzp’ers en tijdelijk personeel. Dat is maar beperkt gebeurd, daar is iedereen binnen de sector het wel zo’n beetje over eens.

Lees ook: Van Engelshoven geeft grootste deel van 300 miljoen euro steun aan gesubsidieerde kunstinstellingen

Volgens de NAPK heeft de sector dat wel zo goed mogelijk geprobeerd. Voor voorstellingen die tijdens de eerste lockdown in 2020 niet doorgingen, zijn de cultuur-zzp’ers volledig gecompenseerd. In de periode daarna hebben gezelschappen zoveel mogelijk opdrachten verstrekt voor werken die wél konden worden uitgevoerd – online of voor kleine groepen, voor hoorspelen, en voor studie- en schrijfprojecten. „Maar het is duidelijk dat dit maar ten dele soelaas heeft kunnen bieden. Vooral vanwege de langdurige sluiting van de sector.”

Het is volgens de organisatie goed dat instellingen wat reserves hebben voor de komende jaren om de na-effecten van de crisis het hoofd te bieden. „Als de instellingen straks alsnog omvallen, dan is dat ook voor zzp’ers een probleem.”

Noodsteun stopt

De zorg over de positie van de los-vaste cultuurwerkers bleek ook dinsdag tijdens het debat in de Tweede Kamer over cultuur en corona met cultuurminister Ingrid van Engelshoven (D66). Dat debat werd gehouden omdat 1 oktober de noodsteun voor de sector stopt. En dat terwijl de markt nog niet op het niveau is van voor de crisis. Vandaar dat Lilianne Ploumen (PvdA), zoals meer Kamerleden, pleitte voor een voortzetting van de noodsteun, of een stroppenpot of garantieregeling voor de cultuursector. Van Engelshoven zegde toe voor de begrotingsbehandeling in november met de ‘contouren van een herstelplan’ te komen, maar zegde niets concreets toe.

Hoewel Van Engelshoven benadrukte dat de meeste culturele instellingen nu zwarte cijfers schrijven, ziet ook zij het probleem van de benarde positie van de zzp’ers in de cultuursector, waar diverse Kamerleden ook op wezen.

Van Engelshoven wil, schreef ze eerder aan de Kamer, onderzoek laten doen naar wat er gebeuren moet, zodat er „een gezonde flexpraktijk kan ontstaan” in de culturele sector. Cultuur-zzp’ers moeten een „eerlijke beloning” krijgen en „schijnzelfstandigheid” moet voorkomen worden. Maar dat kost geld.

Structureel meer geld

In het Kamerdebat zei Ploumen daarover: „Met een steunpakket los je het probleem van te veel zzp’ers in de sector niet op. Dat moet onderdeel zijn van het herstelplan. Een deel is ten onrechte zzp, muzikanten bijvoorbeeld die bijna altijd voor hetzelfde orkest spelen maar wel in de flexibele schil zitten. Dat moet je structureel aanpakken.”

Van Engelshoven beaamde dat. Maar, zei ze, „dan moet er steun zijn voor een structureel hogere cultuurbegroting. Als je dat niet wil, los je het niet op.” Zo moet er iets gebeuren aan culturele instellingen die „mensen in een slecht contract hebben zitten”. En zei ze: „Je moet de arbeidsmarktspositie van zzp’ers verbeteren.” Bijvoorbeeld met een cao, die een „bodem legt in de tarieven.”

Hervorming van de arbeidsmarkt in de cultuursector is volgens haar een belangrijk onderdeel van een herstelplan. Maar zij kan daar als demissionair minister weinig aan doen, zei ze. Dat is aan het volgende kabinet. „Want dat gaat over de fundamentele keuze over hoe je cultuurbeleid moet voeren”, hield Van Engelshoven de Kamerleden voor. Wat de minister wel kon toezeggen, is dat ze niemand laat vallen „in het zicht van de haven”.

De minister benadrukte overigens dat er nog wel steun is na 1 oktober. Er is nog ruim 50 miljoen voor lokale culturele infrastructuur te verdelen via de gemeenten. Ook is er een garantieregeling voor evenementen die niet kunnen doorgaan, en een suppletieregeling omdat ongeplaceerde popconcerten en dergelijke voorlopig op maar 75 procent van de capaciteit mogen draaien. Daarnaast houdt ze in de gaten waar problemen ontstaan, en dan is er geld beschikbaar.