Goede gezinnen zijn als stokrozen

In de stadstuinen van Bloei & Groei in Amsterdam-Zuidoost hervinden vrouwen hun veerkracht. bezoekt de 'healing garden'. Dit keer: Xiomara.
Foto Ilvy Njiokiktjien

Haar tuin ligt er het strakst bij: het pad kaarsrecht, het onkruid gewied, vier kruidenplantjes keurig in een rechthoek. Deze vrouw, dat zie je zo, laat niet met zich sollen. Deze vrouw bewaakt haar grenzen.

Die karaktereigenschap komt haar goed van pas. Xiomara vangt in het dagelijks leven, samen met haar man, jonge mensen op. Vroeger had ze pleegkinderen, nu zorgt ze voor jonge moeders met kleine kinderen. Drie doorgebroken eengezinswoningen vormen samen een gezinshuis in Amsterdam-Zuidoost. Daarachter is een tuin, waar ze samen groenten en fruit kweken: paprika, rucola, sla, aardbeien, snoeptomaatjes.

Wat doet ze dan hier, op dit moestuinencomplex niet ver van haar gezinshuis? Ze lacht. „Hier heb ik een moment voor mezelf. Hier zit ik met mijn handen in de grond en spreek ik over de planten die erop staan. Niets anders.” En ja, zodra het over levensproblemen gaat, en die komen hier aan de orde , want dit is een healing garden, doet ze er het zwijgen toe.

Door haar werk kan ze „zaaien in de levens van gezinnen”, zegt ze. Wat haar betreft is het niet het individu dat een samenleving bouwt. „Een krachtige maatschappij bestaat uit krachtige gezinnen.”

Ik denk direct aan een stokroos; verloren als-ie in z’n eentje heen en weer staat te zwaaien, nauwelijks bij machte om in een zuchtje wind overeind te blijven, maar een stevig statement als hij met een twintigtal andere stokrozen staat te pronken.

Ze heeft de kracht van het gezin aan den lijve ondervonden. Groeide op Curaçao op, de oudste van negen kinderen. Haar vader werd blind toen haar moeder zwanger was: „Mijn vader heeft zijn jongste zoon nooit gezien.” Het gezin leefde in armoede, „maar niet in aalmoes”. En ze mochten dan tweedehandskleren dragen en naar de voedselbank gaan, „dat ik brood kreeg, zegt niets over wie ik ben”.

Dat zegt ze ook tegen de moeders in het gezinshuis; nu zijn ze misschien slachtoffer, maar dat hoeven ze niet te blijven. „Je kan ook zeggen: zo wil ik niet meer zijn.”

Ze heeft een tweede gezinshuis op Curaçao opgezet, daar zou ze graag meer werk willen verrichten. Kan ze ook gelijk voor haar ouders zorgen die inmiddels in de tachtig zijn. Om de andere stokrozen te stutten, denk ik. Maar eerst moet ze een opvolger voor haar gezinshuis in Amsterdam vinden.

De andere vrouwen op de healing garden in Amsterdam-Zuidoost heeft ze weinig over haar werkzaamheden verteld. „Ik werk met jonge moeders”, heeft ze gezegd. Net zoals er maar weinigen op de tuin zijn die weten dat ze, nadat ze op haar achttiende naar Nederland kwam, pedagogiek en psychologie studeerde.

„Hoe gaat het met je moeders?”, vragen de andere tuinders soms.

„Goed”, zegt ze dan, waarna ze zich met haar schepje in de hand weer over haar bloemen buigt. En tegen mij: „Want ik ben hier niet aan het werk.”

Rechte paden maken, grenzen trekken – ze kan het als de beste.

Dit is het derde deel van een korte serie.