Recensie

Recensie Muziek

Twee toporkesten voor een veel te leeg Concertgebouw

Klassiek De London Symphony Orchestra en de Münchner Philharmoniker speelden op twee achtereenvolgende avonden in het Concertgebouw. De zaal mocht vol, maar bleef ongekend leeg.

London Symphony Orchestra onder leiding van Sir Simon Rattle op zondag in het Concertgebouw in Amsterdam.
London Symphony Orchestra onder leiding van Sir Simon Rattle op zondag in het Concertgebouw in Amsterdam. Foto Simon van Boxtel

Twee toporkesten speelden op opeenvolgende avonden in het Amsterdamse Concertgebouw: het London Symphony Orchestra van Sir Simon Rattle en de Münchner Philharmoniker van Valery Gergiev, mét meesterpianist Igor Levit. Zalen mogen weer voor 100 procent vol en om met de deur in huis te vallen: beide wereldorkesten waren niet uitverkocht en dat is ongekend.

Vóór corona moest je zulke orkesten nog voor de kaartverkoop in de seizoengids hebben gespot, wilde je kans maken op een kaartje ter waarde van drie dagen Lowlands. Bij het LSO op zondagavond had nog zeker dertig procent van de stoelen gevuld kunnen worden. De kaartverkoop van de Münchner was maandag al helemaal dramatisch: ’s middags was nog geen derde van de stoelen besproken. ‘Sprinters’, jongeren die op het laatste moment goedkope kaarten kunnen kopen, vulden de zaal uiteindelijk tot een kleine 900 (van de 1.974) mensen. Aan het repertoire kan het niet gelegen hebben. Het LSO speelde Beethovens Zesde symfonie, een lieveling. De Münchner de Zesde symfonie van Bruckner, ook geen ongeliefde componist in Nederland, en met Igor Levit in het Eerste pianoconcert van Brahms.

Een verklaring is volgens het Concertgebouw de slechts drie weken waarin de concerten voor 100 procent konden worden verkocht. Daarvoor was het concert van de Münchner nog in twee delen gesplitst, beide voor enkele honderden mensen. Wekenlang stond het concert op uitverkocht.

De twee avonden hadden niet meer van elkaar kunnen verschillen. Het LSO speelde helder, beheerst, foutloos; ergo, een beetje zoutloos. Met name het laatste deel van Beethoven kon prangender. Zowel de fluiten als de bassen kwamen er het hele concert niet lekker uit, al werden ze gered door een mooi verhalende fagot.

Münchner Philharmoniker met Igor Levit onder leiding van Valery Gergiev op maandag in het Concertgebouw in Amsterdam. Foto Milagro Elstak

Onbehouwen en roekeloos luid

De Münchner zat totaal aan het andere eind: onbehouwen, overspannen en roekeloos luid. Gergiev steunde en zuchtte, de emmer violen liep alsmaar over, de fluiten wilden ook de mensen op straat bereiken, de eerste trompet en hoorn versierden hun noten microtonaal. Het was Bruckner op het randje van een mentale instorting. Fascinérend zout.

Nee, het was Igor Levit die muziek maakte. In het eerste deel van Brahms’ pianoconcert zocht hij zijn weg nog in de wollige akoestiek van een halflege zaal, maar het tweede deel was overweldigend mooi. Levit beheerst het verschil tussen zacht en héél zacht tot twintig decimalen na de komma. Geen twee zachte noten klinken hetzelfde. Aan het einde hoorden 1100 lege stoelen hem het betoverendste crescendo van het decennium maken; in een weg vol trillers van laag omhoog beschermde hij met twee handen de wassende tonen tot hij ze sterk genoeg vond om ze aan het eind open en vrij te laten. Overal werd gesnift en gesnotterd. De luidheid waarmee de fluiten daarna inzetten was niets minder dan barbaars.

Beethovens Zesde duurt ongeveer drie kwartier, Bruckners Zesde een uur. Voor vervoering is dat niet nodig, dacht Levit, en met het allerkleinst denkbare pianoleswalsje als toegift, de Vijfde poppendans van Sjostakovitsj, blies hij Beethoven en Bruckner voor een doodstille zaal in twee minuten in de vergetelheid.