De peddel

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 52: hét rotseilandje.
Dagboek van een visser

Na een dodemansrit langs bloedstollende bergpassen en griezeldiepe ravijnen (twee keer ging het bijna mis in de bocht), krijg ik ’m eindelijk in zicht: hét rotseilandje. Diep beneden, twee mijl oostwaarts van de kaap, schittert-ie als een schat. Zeekaart wordt werkelijkheid. Een bruinglanzend stipje te midden van blauwe oneindigheid, omspoeld door witschuimende golven. Dáár ligt m’n geluk, daar zwemmen de roofmonsters. M’n hart begint sneller te kloppen. Wat had ik lang uitgekeken naar dit moment, de ultieme missie van m’n visexpeditie.

Als kind al speurde ik op landkaarten meteen naar eilanden, de allerkleinsten brachten me in vervoering zoals later Mahlers Vijfde symfonie. Eilanden zijn het geheugen van de zee, alle kennis is erin opgeslagen.

Hoewel de meeste toeristisch allang zijn onteerd, herbergt Marokko nog vele kustschatten. Enkele zijn nog geheim en onaangeraakt door de klauwen van reisbureaus (al beginnen domme vloggers roet in ’t eten te gooien), om de simpele reden dat pad en parcours neerkomen op het tekenen van je doodvonnis. Zoals dit afgelegen vissersdorp (de naam geef ik vanzelfsprekend niet prijs), een gehuchtje, ingesloten door twee landtongen en afgesneden van de moderniteit: geen licht en stromend water, maar generatoren en natuurbronnen. Op het strand spoelen slome golfjes over de schelpen waarop blauwgeverfde vissersbootjes in de zon branden. Een naaldvisje gluurt nieuwsgierig naar me.

Als ik neerplof in het eethutje voor wat aansterkende peperkoffie en aan twee oudere inlanders mijn bedoelingen uitleg, staren ze me aan alsof ze ’t in Mombasa horen donderen. Roeiend? Met opblaasbootje? Ben ik soms mesjogge? Dan volgen de dramaverhalen, de vissers die nooit terugkeerden, kinderen die geheimzinnig verdwenen, verdronken avonturiers, vorig jaar nog, een vrolijk Spaans echtpaar, met motorboot gekapseisd; de vrouw spoorloos, de man maanden later aangespoeld aan de overkant, Almería.

Ik krab me achter de oren. Verdorie. Een jaar lang keek ik hiernaar uit, een helse bergrit geriskeerd, en nu opgeven? Nee, iets in mij protesteert, iets in mij gromt, hongert als een haai. Bovendien ben ik toch geen beginnende roeier en kan ik mij beroemen op een paar gespierde armen – en wat is nou twee mijl?

Hoofdschuddend slaan ze mij gade aan als ik toch maar de boel oppomp en optuig. Om ze gerust te stellen lieg ik dat ik maar een klein eindje ga.

Maar dan… juist als ik mijn frisgroene vaartuig (‘sperziebootje’) te water wil dragen, doe ik een sensationele ontdekking: de peddel! Waar is de peddel?!

Standrechtelijk geamputeerd dringt de waarheid zich langzaam aan mij op: hij ligt nog op de stoep naast m’n hotel.

De rest van de dag heb ik binnensmonds vloekend gepoedeld in misschien wel de mooiste baai ter wereld.