Reportage

Bij de Belgische voetbalclub Union Saint-Gilloise is het alsof je de vorige eeuw binnenstapt

Union Saint-Gilloise Het Belgische Union Saint-Gilloise leek meer historie te hebben dan toekomst. Totdat het dankzij investeerders terugkeerde in de hoogste klasse. Maar in het verweerde, monumentale stadion is elke modernisering verboden.

Het stadion van Union Saint-Gilloise en de fans bij het duel tegen Antwerp.
Het stadion van Union Saint-Gilloise en de fans bij het duel tegen Antwerp. Foto Wouter Van Vooren

Op de Brusselse Steenweg is het bal. Terwijl met schild en stok bepakte politie-eenheden de straten verderop barricaderen om bezoekende fans uit Antwerpen op afstand te houden, nippen supporters van Royale Union Saint-Gilloise schouder aan schouder van hun pintjes bij de taps van Café Chez Katy en Union’s Taverne. Laatkomers trachten bij de verweerde loketten nog een staanplaats te bemachtigen. Anderen schuiven rap een met worst gevulde baguette van het formaat onderarm naar binnen voordat ze al zingend aansluiten in de rijen voor de ingangen.

„Alléz USG … Alléz USG … olé olé”, weerklinkt het tussen de herenhuizen in dit aangeharkte stadsdeel van Brussel.

Over een kwartier begint de wedstrijd. Maar niet al deze fans zullen tijdig op hun plek geraken. Omdat het stadion slechts vijf krappe ingangen telt, moeten de circa zesduizend toeschouwers zich als door een trechter richting de tribunes wurmen, om vervolgens opnieuw in lange rijen te belanden voor nog meer bier en toiletbezoek.

Voetbalclub Union Saint-Gilloise zou hiervoor graag meer ruimte scheppen, maar dat zit er niet in. Ondanks de terugkeer op het hoogste niveau na 48 jaar, moet alles in en rond het stadion zo blijven zoals het eens is gebouwd – van de houten banken op de hoofdtribune tot het smeedijzeren hekwerk en de toegangspoorten in de 101 meter en 40 centimeter lange bakstenen voorgevel.

Het Joseph Marienstadion is niet zomaar een oud stadion van 106 jaar oud. Het is beschermd erfgoed. Een monument. „We mogen nog geen muurtje doorbreken”, aldus woordvoerder Maarten Verdoodt. „Zelfs al dienen ze nergens meer voor.”

Het stadion van Union Saint-Gilloise en de fans bij het duel tegen Antwerp. Foto Wouter Van Vooren

Van de buitenkant is de charme van de uit 1915 stammende hoofdtribune onmiskenbaar. Art deco is het, met uitgebeitelde panelen en gebeeldhouwde figuren die de aanblik verfraaien. Zonder indrinkende supporters op de voorgrond zou de voorgevel onopgemerkt opgaan in het straatbeeld van wat seizoenkaarthouder Simon Collina als een „gegoede buurt” omschrijft. „Ik kom uit Anderlecht, een mindere wijk. Ik zou hier zo willen wonen.”

Bobo-buurt

„Het is een bobo-buurt”, aldus Colas Goemini. Goemini – blauwe pullover over een lichtblauw hemd met een losjes hangende clubsjaal rond zijn nek – woont tegenover het stadion en trekt net de voordeur achter zich dicht om naar het voetbal te gaan. Zijn huis kreeg tegelijk met het stadion een beschermde status. „In deze wijk vind je veel échte Brusselaars. Van die mensen die erop voorstaan dat ze goede manieren hebben.”

De wijk en het stadion zijn ook vermaard om hun ligging. Pal er tegenaan ligt het Dudenpark, een lap van 24 hectare groen die ooit door koning Leopold aan de Belgische staat is overgedragen. Een ideale plek om te flaneren, waar het vorstelijke uitzicht op de skyline van Brussel tegelijk ook een obstakel vormt voor Union. Ook dit park is beschermd erfgoed, waardoor de club geen toestemming krijgt om haar staantribune te overkappen. Het dak zou afbreuk doen aan het uitzicht vanonder de beuken in het wandelpark.

De restricties van de stedelijke conservatoren waren voorheen nauwelijks een belemmering. Volle stadions trok de club allang niet meer. Als een beroemd artiest wiens repertoire niemand zich nog leek te kunnen herinneren, hobbelde Union de voorbije decennia mee in de lagere divisies. Alsof het de jeugd wat zei dat Union na stadgenoot RSC Anderlecht en Club Brugge de op twee na succesvolste club van België is? En dat de elfvoudig landskampioen in de jaren zestig nog knallende derby’s tegen Anderlecht en RWDM speelde?

Lambrisering op de wanden

Toch zou Union herrijzen, met dank aan de komst van een Britse investeerder in 2018. Deze man, tevens eigenaar van de Engelse Premier League-club Brighton & Hove Albion, richtte zijn pijlen op de hoogste divisie en gaf Union de financiële armslag die er mede toe heeft geleid dat het in 2021, 48 jaar na de degradatie, terugkeerde in de Jupiler Pro League. En zoals clubvoorzitter Alex Muzio later op de middag zal zeggen: „We willen alleen nog maar meer.”

Supporters van Union Saint-Gilloise tijdens de wedstrijd tegen Antwerp, afgelopen weekeinde. Foto Wouter Van Vooren

Sinds hun komst komen er twee werelden samen in het Joseph Marienstadion. Die van enthousiaste, gedreven buitenlandse investeerders die vooruit willen en die van de ambtenaren die waken over de authenticiteit van het stadion, wier besluit om het stadion tot monument te bestempelen kan knellen met de groeipotentie van de club.

Je merkt het in de ruimtes onder de hoofdtribune. Daar is het alsof je de voetbalwereld van de vorige eeuw binnenstapt. Smalle doorgangen leiden naar intieme zalen die doen denken aan de tijden dat hier nog mannen met bolhoeden de wedstrijden analyseerden, compleet met lambrisering en ingelijste oprichtingsaktes aan de muur. Het kroonjuweel is het in clubkleuren vervaardigde glas-in-loodraam van zeker honderd jaar oud in de enige zaal waar de club wat hoogwaardigheidsbekleders kan ontvangen. Het bestuur heeft er zojuist geluncht met hun collega’s van tegenstander Royal Antwerp.

Vlak voor de perszaal houdt een brommend aggregaat de live-uitzending van de wedstrijd in de lucht. Binnen is het stoffig en ligt een zwart-witte tegelvloer van het soort dat tegenwoordig weer hip is, maar in de meeste huizen en gebouwen direct wordt afgedekt met laminaat of parket. Op een tafel staan schalen met vlaai.

„Wat mij betreft komt er een nieuw stadion”, zegt de 85-jarige Henry van Campenhout vanaf zijn houten stek op de hoofdtribune. Hij zou voor honderd euro per jaar extra op een van de schaarsere kuipstoeltjes ter hoogte van de middenlijn kunnen zitten, maar vijfhonderd euro vindt de gewezen bankbediende te gortig. „Deze plek is charmant, maar heeft het nog wel toekomst?”

Het duel tussen Union Saint-Gilloise en Antwerp in het Joseph Marienstadion, afgelopen weekeinde.

De op de flank voorbij razende Nederlandse back Bart Nieuwkoop vindt het een schitterend stadion, zou hij later zeggen. „Dit is een plek die de échte voetballiefhebber mooi vindt.” De ex-verdediger van Feyenoord had nooit van Union Saint-Gilloise gehoord voordat hij afgelopen zomer werd benaderd, maar twijfelde nauwelijks. „Ze hadden een goed verhaal. Deze club wil stapsgewijs groeien. We hebben ook bijzondere supporters. Prachtige club toch?”

In tegenstelling tot fanatieke supporters elders zingt de harde kern van de Brusselse club alleen voor het eigen team. Toen onlangs bij het uitduel tegen Racing Genk op tv-beelden te zien was dat iemand in het uitvak zijn middelvinger opstak naar het thuispubliek, werd de betreffende man door zijn medesupporters opgespoord en aangesproken. „Zo doen wij dat niet”, aldus Simon Collina, die geen wedstrijd mist. „Heb je ons net nog voor Antwerp horen zingen?”

VIP-tent achter het doel

Aan het einde van de wedstrijd (Antwerp won met 1-2) scandeerden beide supporterskampen elkaars clubnamen voordat ze het stadion verlieten en de kroegen aan de Brusselse Steenweg opzoeken. Voor spelers en genodigden is er in een VIP-tent opgezet achter het doel, tussen de bomen in het park. Clubwoordvoerder Verdoodt: „Je wilt je gasten toch iets te bieden hebben.”

Een supporter van Union Saint-Gilloise. Foto Wouter Van Vooren

Uit de tent komt even later ook voorzitter Alex Muzio tevoorschijn, een Britse dertiger met een blazer over een T-shirt, die in 2018 samen met eigenaar van Brighton geld investeerde in Union. „Ik ben geen typische clubbestuurder”, zegt hij. Met een knipoog: „Ik ben niet dik, oud en grijs.” En, zegt hij : „Ik ben ook niet iemand die alles wil bepalen bij deze club. Dat werkt averechts. Je moet de mensen van de club de ruimte geven om zelf beslissingen te nemen. Als ik hier alles wil beslissen, wie zou hen dan serieus nemen?”

Hij profileert zichzelf als een dataspecialist die naar eigen zeggen goed de waarde van spelers kan inschatten. „Iedereen weet wat een goede speler is, net als dat iedereen weet wat goedkoop is. Het moeilijke is dat te combineren. Ik denk dat te kunnen.”

„We hebben ook naar Nederlandse clubs gekeken, maar we hebben voor België gekozen omdat je hier veel beter een verschil kan maken. Teams zijn meer aan elkaar gewaagd, waardoor je met een club als Union snel hogerop kan komen”, zegt Muzio.

Hij en de andere bestuurders mikken daarvoor op de bouw van een nieuw stadion. De stad en de deelgemeente willen daarover in gesprek gaan, maar door ruimtegebrek is het nog een raadsel waar het nieuwe onderkomen gebouwd zou moeten worden. Voorlopig huist Union Saint-Gilloise nog in zijn eigen monument.

Correctie (28 september 2021): in een eerdere versie van dit stuk stond de voetbalclub Brighton & Hove Albion aangeduid als Brighton Hove & Albion. Hierboven is dat aangepast.