Recensie

Recensie Muziek

Bachvereniging begint eeuwfeest met sterke ‘Kunst der Fuge’

Bachvereniging De Nederlandse Bachvereniging trapt het eeuwfeest af met een nieuwe instrumentatie van Bachs ‘Kunst der Fuge’. Die demonstreert wat het ensemble in huis heeft, maar speelt ook erg op safe.

De 100-jarige Nederlandse Bachvereniging speelt ‘Die Kunst der Fuge’.
De 100-jarige Nederlandse Bachvereniging speelt ‘Die Kunst der Fuge’. Foto Juri Hiensch

In aanwezigheid van het koninklijk paar bracht de Nederlandse Bachvereniging, in 1921 opgericht, zaterdag het eerste concert van het jubileumseizoen. Op het programma stond een van de latere werken van componist J.S. Bach: diens onvoltooide Kunst der Fuge, een krachttoer van meerstemmige complexiteit, specifieke instrumenten onbepaald.

Met zijn arrangement wil violist en artistiek leider Shunske Sato laten horen wat de Nederlandse Bachvereniging in huis heeft: hij benut strijkers, traverso, zink en trombone, maar ook zangers komen in allerlei combinaties voorbij. Vanaf de eerste Contrapunctus, door orgel en vocaliserende (‘papapa’) zangers, zette de instrumentatie aan tot gespitste oren. Het koraal Wenn wir in höchsten Nöten sein, waarvan een versie al in 1751 met de ‘Kunst’ werd gepubliceerd, zorgde tussen de fuga’s voor verfrissende afwisseling. En de gezongen koraaltekst – ‘bevrijd ons van alle plagen’ – was op anderhalvemeterafschafdag ook zeer toepasselijk.

Troostende stemmen

Verder werd er onder Sato vooral op safe gespeeld. De intonatie van het ensemble was zuiver (op de zink na), maar dynamisch gebeurde er weinig. Folkert Uhde’s lichtplan behelsde veelal niet meer dan een spotlight op wie er op dat moment speelden; niet afleidend, wel een beetje saai.

Maar dan het slot. Gambisten Mieneke van der Velden en Anna Lachegyi speelden de ‘Canon per Augmentation in contrario motu’ alsof ze elkaar trachtten te troosten. Uhde lichtte ze uit in clair-obscur, waardoor we ons plots niet meer in een halfleeg TivoliVredenburg, maar in een stampvolle, donkere kelder leken te bevinden: daar was opeens de intimiteit waartoe Bachs muziek soms zo uitnodigt.

De sfeer contrasteerde fijnzinnig met het allerlaatste deel, de voor de gelegenheid voltooide ‘Fuga a 3 soggetti’. Naarmate de fuga voortschreed, kwamen er steeds meer instrumenten bij, terwijl ook het licht in crescendo de zaal vulde. Zo zwollen licht en geluid samen aan tot een triomfantelijk slotakkoord. Het bracht precies het muzikale én buitenmuzikale extra drama dat eerder miste.