Opinie

Respecteer ieders wens om wel of niet dichtbij te komen

Anderhalvemetersamenleving

Commentaar

De mens is een sociaal dier. Een dier dat anderhalf jaar lang anderhalve meter afstand moest houden. Maar sinds dit weekend mag het weer: dichtbij komen, omhelzen, een schouderklopje geven, een aai over een bol. „Effe knuffelen”, om met Ruud uit Big Brother te spreken.

Mág – niet moet. Het coronavirus met zijn besmettelijke deltavariant waart nog steeds rond. Wie voorzichtig wil blijven, of moet blijven wegens een kwetsbare gezondheid, heeft daar alle recht toe. Wie afstand wil blijven houden, geen zin heeft in een drukke uitgaansgelegenheid, of in de supermarkt een boog om de medemens blijft maken, mag daar ook niet op worden aangekeken, noch aangesproken.

Want het is ook des mensen om afstand te houden van vreemden. Nabijheid maakt kwetsbaar, dichtbijzijn is een teken van vertrouwen. Het vertrouwen dat de ander geen besmettingsgevaar zal vormen.

Pre-corona werden figuurlijke schuttingen juist afgebroken. De kantoortuin was niet meer weg te denken uit het Nederlandse bedrijfsleven, op scholen werden tafeltjes aan elkaar geschoven, shared dining (waarbij je gerechten deelt met tafelgenoten) was een steeds vaker voorkomend concept. Nabijheid was knus en gezellig, een sfeer die Nederlanders graag oproepen.

Bij het begroeten had de man hug zijn intrede gedaan. De driekus was normaal, ook onder vage kennissen. Weinigen die het laatste hevig gemist zullen hebben.

Een diep verlangen naar lijfelijk contact was er wel degelijk de afgelopen maanden. Huidhonger is niet voor niets een van de neologismen die de coronacrisis heeft voortgebracht. Contact via het scherm, hoe frequent ook, haalt het niet bij echte nabijheid, bij een simpele aanraking. Lieza Röben begint haar documentaire Huidhonger terecht met de woorden van de Duitse filosoof Wilhelm Schmid: Tango, tangor, ergo sum. Ik raak aan, ik word aangeraakt, ik ben.

Lees ook: Knuffelen: mainstream sinds ‘Big Brother’

Nu de duidelijkheid van de lockdown al enige tijd is verdwenen en de maatregelen zijn versoepeld, is op straat zichtbaar dat het de natuurlijke neiging van de mens is om elkaar op te zoeken. De angst voor het virus hield ons nog uiteen – of misschien de vrees voor de beboetende boa, die aan het begin van de crisis die anderhalve meter moest bewaken. Nu zijn de terrassen weer vol, dit weekend werd er weer gedanst en gefeest.

Van een anderhalvemetersamenleving was al maanden geen echte sprake meer. Het mondkapje in het openbaar vervoer en de QR-code bij het uitgaan zijn de meest zichtbare herinnering aan de pandemie die er nog altijd is.

Van enige onwennigheid is nog wel sprake. Handen schudden mag volgens de overgebleven basisregels nog niet. Dat leidt, nu het sociale verkeer weer op gang komt, tot menig opgelaten situatie waarin niet helemaal duidelijk is of de ander kiest voor een onhandige ‘Ebola-elleboog’, naar de begroeting die in Afrika werd bedacht na de epidemie van 2014, of de onpraktische Wuhan voet-groet. Wordt de boks beantwoord met een Namasté-buiginkje of een zakelijke zwaai?

Aan elk individu is het nu de eigen fysieke grenzen te bepalen. „Kom niet in mijn aura, bitch”, rapten Ali B en Poke aan het begin van de crisis. Wat de omvang van ieders aura is, is niet met een rolmaat vast te stellen. Wel is het van belang dat die aura wordt gerespecteerd.