Opinie

Toch nog excuses?

Frits Abrahams

Aan het begin van de tweede dag van de Algemene Politieke Beschouwingen zag ik Geert Wilders opeens met een opvallend schuldbewust gezicht naar de microfoon lopen. Bijna deemoedig nam hij het woord.

Eerst kon ik mijn oren niet geloven. Wat overkwam mij, hoe was dit mogelijk, ik hallucineerde toch niet? Of toch wel? Verdwaasd begon ik te noteren.

„Geachte voorzitter, waarde Kamerleden, mij moet iets van het hart, iets wat u misschien niet zo snel van mij zult verwachten omdat u meestal een andere kant van mij ziet. Vannacht keek ik met mijn vrouw terug op mijn bijdrage aan het debat van gisteren. We dronken er een wijntje bij en raakten in een milde stemming waarin zelfs plaats was voor de broodnodige zelfreflectie.

Toen drong tot mij door dat ik te ver was gegaan – veel te ver. Goed, je mag best met collega’s in de Kamer scherp van mening verschillen. Maar wat níét mag is toegeven aan allerlei destructieve emoties die in ieder mens op zijn zwakste momenten kunnen bovenkomen. Ik denk in mijn geval aan pure rancune en diepe haat, uitmondend in het onweerstaanbare verlangen om iemand verbaal te slachten.

Dat gebeurde mij toen ik mevrouw Kaag begon uit te schelden voor ‘laffe leider’ en ‘angsthaas’, hoewel ze – zoals mevrouw Hermans van de VVD terecht zei – ‘een loepzuivere staatsrechtelijke reden’ had om niet aan dit debat deel te nemen. Ik was toen niet bereid om mij iets van die reden aan te trekken. Liever ging ik los op irrelevante, vermeende zaken als haar ‘chique pantoffels’, haar ‘Louis Vuitton-koffer’ en haar voorkeur voor quinoa, een eenjarige plant uit de amarantenfamilie, helaas afkomstig uit het buitenland, zij het gelukkig niet uit Marokko.

Collega Jetten beschuldigde mij van ‘een Kaagobsessie’ en ik zal niet verhelen dat ook mijn vrouw daar enige zorgen over heeft. ‘Ik zou willen dat jij ook zoveel aandacht aan mij besteedde’, zei ze tegen mij meteen na thuiskomst. Ook had het haar gestoord dat ik steeds wilde weten ‘waar mevrouw Kaag was en of ze nog kwam’. Het was haar bovendien opgevallen dat ik vaak speekselvlokken op mijn lippen kreeg als ik mevrouw Kaag bij naam noemde, ‘alsof je een beetje kwijlde’.

Waar ik mij achteraf ook diep voor schaam, is het beledigen van mijn brave collega Segers, wiens redelijke interruptie ik ‘vies en vals’ noemde. Voortaan zal ik ‘vies en vals’ alleen reserveren voor zekere columnisten van NRC.

Kortom, ik bied voor mijn onaanvaardbare gedrag mijn welgemeende excuses aan. Ik beloof dat ik mij voortaan constructief zal opstellen. Geen scheldwoorden meer, alleen argumenten.

Waarbij ik wel één kanttekening wil plaatsen: ik verzet mij tegen vergelijkingen van mijn gedrag met dat van collega Baudet. Bij hem liepen enkele collega’s weg terwijl ze bij mij bleven luisteren. Geen wonder – het verschil is groot. Ik mag dan soms doorschieten in mijn emoties, Baudet is een psychiatrische patiënt geworden, gevangen in de krankzinnigste samenzweringstheorieën. Lees zijn rede op de FVD-website er maar op na. Hij voorspelt de ‘QR-codemaatschappij – totale overheidscontrole’ om het populisme tot staan te brengen. Laten we deernis met deze collega voelen en hem een blijvende plek in een inrichting gunnen met louter van een coronapas voorzien personeel.”