Opinie

Politici op tonnenjacht gaan het klimaat niet redden

Klimaatbeleid Het Nederlandse klimaatakkoord richt zich op de periode tot 2030. Dat is kortzichtig, betogen Heleen de Coninck en Gert Jan Kramer, want het echte werk begint daarna.

In de Groningse wijk Paddelpoel wordt een warmtenet aangelegd
In de Groningse wijk Paddelpoel wordt een warmtenet aangelegd Foto Kees van de Veen

Nog niet zo heel lang geleden – zeg een jaar of vijf, zes – voelden wij ons als wetenschappers roependen in de woestijn. De ernst van de klimaatverandering en de noodzaak van een energietransitie leken maar niet door te dringen. Sinds het Parijsakkoord in 2015 veranderde dat snel. Verzekeraars, centrale banken, artsen en rechters, ja, zelfs VNO-NCW zien inmiddels de ernst van het probleem en de noodzaak van ingrijpen in. Wat ongetwijfeld meespeelt in deze ommekeer is dat anno 2021 steeds frequentere, nabijere en voelbaardere gevolgen van klimaatverandering optreden. Mensen maken zich grote zorgen en vinden dat er snel iets moet gebeuren. ‘Iedereen’ wil nu maatregelen zien.

Die ambitie is alleen maar toe te juichen. Dat het demissionaire kabinet – mede onder druk van het Urgenda-vonnis – erkent dat er werk aan de winkel is en op Prinsjesdag heeft aangekondigd bijna zeven miljard euro extra uit te trekken voor CO2-reductie, is goed nieuws. Desalniettemin maken we ons grote zorgen. Wanneer het huidige klimaatbeleid wordt voortgezet in een volgend kabinet, zal dat namelijk ontoereikend zijn voor het behalen van de Parijsdoelen. Drie zaken worden over het hoofd gezien.

Werkelijke opgave

Ten eerste lijkt het urgentiegevoel van politici zich te beperken tot het klimaatdoel voor 2030. Uiterlijk in dat jaar moet onze broeikasgasuitstoot 49 procent lager zijn dan in 1990, en met de Europese Klimaatwet wordt die ambitie waarschijnlijk nog wat opgehoogd. Met een flinke inspanning bovenop de huidige maatregelen moet dat tussentijdse doel haalbaar zijn. Maar de werkelijke opgave komt daarna pas. Van honderd terug naar 50 procent is gemakkelijker dan van 50 naar ‘netto nul’, en daarna zelfs ‘negatief’ – dan moeten we CO2 uit de atmosfeer gaan verwijderen om onder de limiet van anderhalve graad opwarming te blijven.

Het laaghangend fruit is dan geplukt, het echte werk begint. Een flink deel van de woningvoorraad isoleren en van het gas afhalen is één ding, álle huizen in Nederland klimaatneutraal maken is een monsterklus. Richting 2050 kan het beleid zich niet meer op een deelgroep richten, maar gaat het over iedereen. De opgave voor 2030 red je misschien nog met geleidelijke verandering; netto nul in 2050 is een opdracht tot transformatie. En die moet decennia van tevoren worden ingezet. Nu dus.

Systeemtransitie

Daarmee komen we op de tweede omissie in het beleid: alleen losse maatregelen, waarvan lange lijsten in het Klimaatakkoord staan, zullen niet voldoende zijn. Het is een bekende reflex: om budgetten zo efficiënt mogelijk te besteden en snel zichtbaar resultaat te boeken, gaan politici op ‘tonnenjacht’. Met die maatregelen behalen we wellicht het kortetermijndoel voor 2030, maar we moeten slimmer zijn en verder vooruitkijken dan dat. Met alleen een crashdieet bereik je immers nog geen gezonde leefstijl. Daarvoor zijn veranderingen op allerlei vlakken nodig – meer bewegen, regelmatiger eten, gezonder snacken, andere routines – die elkaar als het goed is versterken.

Zo is het ook met klimaatbeleid. Benzineauto’s vervangen door elektrische auto’s levert een forse CO2-reductie op, maar het is een smalle, technische invulling van de veel bredere opgave: verduurzaming van het hele mobiliteitssysteem. Daarvoor moet dat systeem worden overdacht, inclusief de opties van minder en anders reizen. Die vergen onder meer gedragsverandering (door verleiden én verbieden, binnen mogelijkheden van mensen), innovatie en investeringen voor een andere infrastructuur.

Het is dus essentieel dat de miljarden die nu vrijkomen niet opgaan aan op zichzelf staande maatregelen, maar geïnvesteerd worden in systeemtransities op het vlak van energie, land- en ecosystemen, steden- en infrastructuur en industrie, en in hun samenhang. En voor die systeemtransities moeten de juiste condities worden geschapen, denk aan financiering, beleidsinstrumenten, innovatie en institutionele capaciteit.

Eerlijke verdeling

De derde voorwaarde voor het slagen van de klimaattransitie is dat deze systeemtransities eerlijk verlopen. Dat betekent: iedereen erbij betrekken, de lasten en de baten eerlijk verdelen, en rekening houden met de bestaande omstandigheden, zoals armoede of een al sterk vervuilde en verstoorde omgeving. En ook dat we bijvoorbeeld ‘nationale kosten’ moeten vertalen naar een saldo van kosten en baten van het klimaatbeleid voor burgers, bedrijven en overheid. Zodat iedereen kan zien of en hoe een extra belasting aan de ene kant gecompenseerd wordt door persoonlijke of algemene baten aan de andere kant. Alleen dan kunnen maatregelen breed gedragen worden. Zonder acceptatie van het beleid zal de transitie alleen maar meer vertragen, en die tijd hebben we echt niet meer.

De transitie zal niet van a tot z gesmeerd verlopen

Het zal niet makkelijk worden. De transitie zal niet van a tot z gesmeerd verlopen: er ligt helaas geen blauwdruk voor een klimaatneutrale samenleving. We moeten ons nog een beeld vormen van die samenleving. We zullen ook moeten experimenteren, en waar geëxperimenteerd wordt gaan onherroepelijk dingen mis. In een maatschappij als de onze, met een lage tolerantie voor fouten, hebben we politici nodig met een talent voor verwachtingsmanagement, en bovenal met lef.

Laten we hen helpen door begrip te tonen voor de rommeligheid die de klimaattransitie met zich mee zal brengen, en door coulant te zijn. We wéten gewoon nog niet precies wat het beste werkt. Laten we politici niet naar huis sturen als ze investeren in systeemverandering, maar ze erop afrekenen als ze dat niet doen.