Opinie

Slachtoffers

Marcel van Roosmalen

Ik werd op Utrecht CS aangehouden door een man die net als ik in Arnhem geboren is. Hij was een paar jaar ouder en versperde me de weg. Als ik dan toch een nadeel moet noemen van Arnhemmers: in de eigen stad mag je ze niet lastigvallen, maar buiten de eigen stadsgrenzen voelen ze geen enkele schroom om anderen lastig te vallen met hun Arnhemmerschap.

Voor de duidelijkheid: ik plaats de Arnhemmer graag op een voetstuk, maar ze springen er helaas graag vanaf. De schaamte die sommige Nederlanders overvalt als ze andere Nederlanders in het buitenland ontmoeten, heb ik met Arnhemmers buiten Arnhem. Deze ook weer: meteen veel te hard en zonder argumenten oordelen over in dit geval de stad Utrecht.

„Ik moest hier vandaag zijn”, zei hij alsof hij zich moest verexcuseren, „maar wat is Utrecht een schijtstad.”

Waarom?

„Lelijke toren, grachten, dat taaltje...”

Ik voelde niets gemeenschappelijks, maar dat maakte hem niet uit.

„Wat vond je ervan, van de Airborneherdenking dit jaar?”

Ik had geen idee, het is niet iets wat ik met het gezin vier.

Hij: „Ik vind het altijd indrukwekkend. Het geeft me ieder jaar weer het gevoel dat we ertoe doen. We worden gezien.”

Zo bekeken had de verloren slag om de brug in 1944 twee generaties later dan toch een functie. Het gaf sommige mensen het gevoel dat ze uit een bijzonder hout zijn gesneden, misschien juist wel omdat hun voorouders slachtoffers waren.

De man begon nu met zichzelf te praten. „Ik woon tegenwoordig in Soest. Mis ik Arnhem? Ja, best wel. En jij?” „Soms wel, soms niet”, zei ik.

Hij: „Dat vind ik een beetje raar.”

Hij sloeg zichzelf op zijn hart.

„Het zit toch hier.”

Ik vroeg of we klaar waren, ik wilde mijn trein halen.

„Naar Wormer...”, vulde hij in.

Daarna: „Daar snap ik dus niets van. He-le-maal niets.”

Ik snapte het zelf ook niet.

En dat vond hij dan weer ontzettend grappig, dat ik dat zei.

„Heel Arnhems.”

Ik kreeg zin om hem van de trap te slaan, dat zou pas écht Arnhems zijn, maar dat deed ik natuurlijk niet. Ik lachte hem toe en maakte me uit de voeten. Toen ik deze belevenis een paar uur later serveerde aan een vriend met wie ik zo en nu en dan de wedstrijden van Vitesse bezoek, zei hij dat juist dat gedrag Arnhems was.

Hij heeft gelijk.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.