Opinie

Alle schrijvers werken aan hetzelfde boek

Michel Krielaars

In Kees Verheuls Een vierkant in de toendra, een in 1993 verschenen mengeling van fantasie en werkelijkheid over zijn jeugd in Hengelo, las ik iets wat me sindsdien bezighoudt. Het is een passage waarin een gefingeerde schrijver ineens beseft dat alles wat hij schrijft misschien wel een onbewust vervolg is op het ‘bedenksel van een collega’. Alsof alle schrijvers bij elkaar al eeuwenlang slechts aan één en hetzelfde boek werken ‘dat soms fantastisch lukte, soms maar moeizaam vorderen wou en hoe dan ook doorging.’

Ik constateerde het zelf door de boeken die ik tijdens mijn Texelse vakantie las. Eerst was daar Zachar Prilepins goelag-roman The Monastery, waarin een rol wordt gespeeld door Naftali Frenkel, een gevangene die opklimt tot kampcommandant en daarna tot architect van het hele goelagsysteem. Diezelfde Naftali Frenkel kwam ik een paar dagen later tegen in Maxim Billers Der falsche Gruss, een roman over het onverdraagzame schuldgevoel van jonge Duitsers over de medeplichtigheid van hun familie aan de misdaden van de nazi’s. Daarna las ik Javier Cercas’ nieuwe roman De koning van het schimmenrijk, waarin dat schuldgevoel ook voorkomt, maar dan in verband met het fascistische regime van generalissimo Franco in Spanje. En tot slot was er nog Dato Turashvili’s nieuwe roman Het dubbelleven van Melenti Maschoelia over het lot van de Georgiërs die in de Tweede Wereldoorlog in Duitse dienst vochten en van wie een deel in 1945 op Texel tegen het fascisme in opstand kwamen, al was het maar om niet terug te hoeven keren naar het land van Stalin.

Deze vier boeken voldoen volledig aan de stelling van Verheul. Ze vloeien moeiteloos in elkaar over, alsof er inderdaad aan één groot verhaal wordt gewerkt, dat zijn oorsprong vindt bij de Talmoed en Homerus.

In Cercas’ roman draait alles om zijn oudoom Manuel Mena. In 1938 is hij als 19-jarige officier van het leger van Franco gesneuveld in de Slag aan de Ebro. Manuel was mooi, slim, belezen en dapper. Nog jaren na zijn dood wordt hij door zijn zuster, de moeder van Cercas, als een held aanbeden.

In zijn jonge jaren wilde Javier Cercas (Ibahernando, 1962) een boek over zijn oudoom schrijven. Maar toen hij ontdekte dat oom Manuel het zwarte schaap van de familie was, zette hij dat idee uit zijn hoofd. Uit schaamte en angst dat hij anders ook het minder zwarte politieke verleden van de rest van zijn familie zou moeten openbaren.

Meer dan 300 bladzijden lang is Cercas bezig om zichzelf ervan te overtuigen dat hij dat boek over zijn oom niet moet schrijven. Tijdens die overpeinzingen vertelt hij alles over diens leven, waardoor hij in feite toch de geschiedenis van zowel oom Manuel als van zijn ouders onthult.

Net zoals in zijn vorige romans, zijn meesterlijke Soldaten van Salamis voorop, laat hij zo zien hoe Spanje tot op de dag van vandaag verdeeld is wanneer het over de Burgeroorlog gaat. De kerk, de grootgrondbezitters en de stedelijke patriciërsfamilies zijn in dat opzicht de erfgenamen van Franco, al hebben ze zich aan moeten passen aan de democratie.

Over de weerslag van de Burgeroorlog op het dagelijkse leven in Spanje lees je ook in het magistrale Papyrus van classica Irene Vallejo, wier ouders onder Franco te lijden hadden. Het zou me niet verbazen als Javier Marías in zijn nieuwe roman Tomás Nevison op haar verhaal voortborduurt.