Reportage

Het Namenmonument trekt veel bezoekers — ‘Voor het eerst dringt echt tot me door wat er gebeurd is’

Holocaust Namenmonument Het Namenmonument trekt veel bezoekers, vaak op zoek naar de namen van omgekomen familieleden. „Ze zijn niet vergeten.”

Gijs de Jong (58) zoekt de jeugdvriendin van zijn moeder.
Gijs de Jong (58) zoekt de jeugdvriendin van zijn moeder.

Even voor sluitingstijd glippen Esther van Toledo (46) en haar vriend langs het al halfdichte hek van het monument, dat iedere dag van acht tot acht open is. „Daar!” De bakstenen met namen die beginnen met de letter ‘S’ staan pal tegenover de ingang. „Ja hoor, Spira.” Van Toledo pakt haar telefoon en buigt voorover om een scherpe foto te maken. „Dit is de enige tastbare herinnering.”

Een deel van haar familie is tijdens de oorlog naar een concentratiekamp gebracht. De vader van haar nicht is als twaalfjarige Auschwitz ontvlucht en te voet terug naar Nederland gegaan. Zijn moeder, vader en broertje van zes maanden bleven achter. Hun namen staan op de stenen. „Er hing altijd een zwarte wolk boven onze familie”, zegt Van Toledo. Nu voelt ze zich bijna euforisch. „Ze zijn niet vergeten.” Ze trekt haar leren jasje recht, glimlacht. „Ik noem mezelf altijd derde generatie concentratiekamp-overlevende.”

Docent Cindy Polet (53) vertelt haar studenten over de vergassing van haar familieleden op 30 september 1942.

Foto Roger Cremers

Vijftien jaar lang was er discussie over de komst van een nationaal namenmonument in Amsterdam. Over de locatie, de omvang en mogelijke overlast voor de buurt. Maar het kwam er, en sinds 19 september is het monument met de namen en leeftijden van 102.163 Joodse Nederlanders, Roma en Sinti open voor publiek. Het uit bakstenen opgebouwde labyrint wordt deze eerste dagen vooral bezocht door mensen die op zoek zijn naar een tastbare bevestiging van het verleden.

Docent Cindy Polet (53) heeft haar studenten van de Pabo, met specialisatie Erfgoededucatie, gevraagd om rond te kijken in het monument, en daarna te verzamelen bij de stenen waarin ‘De Winter’ gegraveerd is. „Ik ga jullie iets vertellen over mijn eigen familie”, zegt ze. Polet wijst op drie stenen: die van haar overgrootmoeder, die van haar overgrootvader en die van haar oudoom. „Zoveel namen”, zegt ze, „zoveel De Winters”. Polet excuseert zich voor haar tranen. Een student wrijft over haar rug. Polets familieleden zijn op 30 september 1942 vergast. „Mijn opa is neergeschoten, maar die staat er niet bij.”

Een steen adopteren

Het Nationaal Holocaust Namenmonument heeft deze week honderden bezoekers per dag getrokken, zegt initiatiefnemer Jacques Grishaver aan de telefoon. „We hebben het ontzettend druk.”

Die drukte komt ook doordat duizenden mensen voor vijftig euro een steen ‘adopteerden’ met de naam van een slachtoffer. Met de opbrengst van de adoptie worden educatieprojecten en onderhoud aan het monument bekostigd. Ook worden er per mail en telefoon spellingsfouten in de namen op de stenen doorgegeven, zegt Grishaver. En er worden voorstellen gedaan om ontbrekende namen toe te voegen – waarmee al rekening is gehouden; een muur van het monument heeft naamloze stenen.

‘Vraagtekens in hun ogen’

Hanna van Witsen (84) heeft vandaag haar vader gevonden. Ze staat achter haar rollator, met naast zich haar 47-jarige dochter Cynthia van Witsen. Joseph van Witsen is in 1944 in Auschwitz vermoord. „Ik heb hem nauwelijks gekend. Ik was drie toen ik apart van mijn ouders moest onderduiken.” Van Witsen zegt dat ze haar hele leven „een gevoel van gemis en onveiligheid” heeft gekend. Er waren in haar leven geen andere mannen die zich over haar ontfermden, vertelt ze. „Ze waren allemaal weg door de oorlog.”

Voor het eerst dringt echt tot me door wat er gebeurd is

Cynthia van Witsen (47) bezoeker Namenmonument

Cynthia van Witsen vond het spannend om haar moeder naar het monument te brengen. „Ze praat er niet vaak over. Er is geen graf waar we naartoe kunnen. Dit monument is nu een soort begraafplaats.” Het raakt haar, zegt ze. „Voor het eerst dringt echt tot me door wat er gebeurd is.”

Aan de rand van het monument zoekt beheerder Paul Silvester (61) de paden af naar mensen „met vraagtekens in hun ogen”. Hij legt bezoekers uit waar ze informatie kunnen vinden, hoe de QR-code werkt die helpt bij het lokaliseren van een naam en hij houdt het terrein netjes.

Silvester vertelt mensen waarom er op de grond bij sommige bakstenen kleine kiezelstenen liggen. „Een Joods gebruik waarmee nabestaanden aan de dode laten zien dat er aan hen wordt gedacht.” Bij Anne Frank ligt een hele berg kiezelstenen. „Haar naam kunnen mensen moeilijk vinden”, zegt Silvester. „Ze heet eigenlijk Annelies, en dat weten de meeste mensen niet.”

Een dag eerder was er een vrouw met tranen in haar ogen. Silvester vroeg wat er scheelde. „Ze wilde haar verhaal even kwijt, zei ze. We hebben samen koffie gedronken.”

Marie-Louise Daamen (64) wijst op de steen van haar naamgenote Marie Louise Ackermann-Springer.

Foto Roger Cremers

Hoewel omwonenden vooraf vreesden voor massatoerisme, zijn de bezoekers nu vooral Amsterdammers die hun familiegeschiedenis eer aan willen doen en mensen die tijdens hun dagelijkse wandeling of geïntrigeerd na het zien van de opening op tv een kijkje komen nemen.

Marie-Louise Daamen (64) heeft geen familiebanden met oorlogsslachtoffers, maar heeft deze week toch een naamsteen geadopteerd, die ze nu op komt zoeken. Ze is uitgekomen op een naamgenoot, Marie-Louise Ackermann-Springer, die 34 werd op 1 mei, Daamens trouwdag. „Er moest wel een verband zijn. Ik heb gisteren iemand uitgezocht.” Daamen zal tijdens haar vaste wandeling vaker terugkomen om ‘haar’ steen te bekijken.

Ook Carolien Maris (61) is voor zover zij weet geen familieleden verloren in de oorlog, maar komt hier voor „onderhoud van de ziel”. Soms moet je de ellende uit het verleden doorvoelen, vindt ze. „Anders droog je op en word je een soort robot.”

Lees ook: Met het Namenmonument heeft architect Libeskind een wonder verricht