Foto Frank Ruiter

Interview

‘Niet alle nabestaanden boos en verdrietig en zielig’

Lunchinterview Mirjam en Sandra Ploeg verloren hun ouders, broer en pleegbroertje toen de MH17 neerstortte. Nu is er een boek over hoe zij rouwen. „Zoals wij het doen is óók oke.”

Sirenes razen langs ons tafeltje op de stoep bij de pizzeria in hartje Utrecht, scooteralarmen gaan gillend af, de veegwagen komt en keert en komt. Geen lunchgesprek, maar een avondmaal met de zusjes Ploeg, want overdag moet er gewerkt worden. Mirjam, 30, is bijna klaar met haar opleiding tot orthopedagoog en werkt in een centrum voor zwaar autistische kinderen. Ze is net getrouwd en moeder geworden van Cody. Sandra, 25, is deze zomer afgestudeerd in de psychologie en werkt als imker. Ze woont sinds kort samen. „Dat stond allemaal nog niet in het boek”, lacht ze. In Zoals vogels vliegen volgt journalist Els Quaegebeur de zusjes van heel nabij vanaf kerst 2019 tot en met de zomer van 2021. Ze schrijft op hoe de meisjes doorleven ná die levensveranderende dag in juli 2014, toen de MH17 neerstortte met daarin 298 passagiers, onder wie hun vader Alex, moeder Edith, broer Robert en pleegbroertje Robin.

Sandra, drie dagen 18 toen „het” gebeurde, was net „helemaal verliefd”. Mirjam: „Het was nog niet eens aan toch?” Sandra: „We waren aan het daten. Het was heel ongelukkig. Nou ja, dat hele ongeluk was nogal ongelukkig.” Mirjam lacht. Sandra ook: „Iedereen zei: die jongen durft het nu nooit meer uit te maken.” Mirjam: „Ik heb hem de dag na het ongeluk leren kennen.” Sandra: „Nee joh, hij was er de avond zelf al.” Mirjam: „Rare manier wel om elkaar te leren kennen.” Sandra: „Die arme jongen.” Mirjam: „Hij is niet weggerend.” Sandra: „Ik was niet vrolijk natuurlijk. Ja, er waren wel momenten. Maar ik was ook verdrietig, of chagrijnig, of geïrriteerd. Niet zo leuk.” Pas na vijf jaar ging het uit.

Ik dacht: zul je net zien dat ik nu alcoholist word

Mirjam, de oudste van de drie kinderen Ploeg, kwam weer thuis wonen en legde haar matras naast die van haar zusje in de zitkamer van hun ouderlijk huis in Maarssen. Aan slachtofferhulp hadden ze geen behoefte. „We sloegen ons er samen wel doorheen.” Ooms, tantes, opa’s en oma’s boden hun diensten aan, maar de zusjes deden het regelwerk liever zelf. Mirjam: „We zijn heel zelfstandig opgevoed.” Sandra: „Bellen, papieren, regelen, nog meer bellen. Een dagtaak. En eigenlijk was dat juist fijn. Het gaf houvast.” Mirjam: „Twee weken na het ongeluk ben ik weer aan het werk gegaan. Ik had een horecabaantje bij het zwembad. Lekker om gewoon even simpel je ding te doen.” Sandra begon, zes weken na het ongeluk, aan de kunstacademie.

De pizza’s worden gebracht. Sandra probeert het geraas van de veegwagen te overstemmen: „Mensen zeiden: de klap komt nog wel. Dát is lekker lullig. Ik vond het al best wel zwaar, ik lag ’s avonds huilend in bed, en dan moest de klap nog komen? Die was er al, maar dat betekent niet dat ik aan iedereen liet zien hoe ik me voelde.” Mirjam: „Mensen verwachten dat je instort.”

In de documentaire Het verdriet van Nederland uit 2018 die Michiel van Erp maakte over de nabestaanden van de MH17-ramp, worden de zusjes ook gevolgd. We zien ze dozen vullen met persoonlijke spullen van hun ouders en praten zoals ze nu ook praten. Nuchter, rationeel. Kil en afstandelijk, vonden sommige kijkers. Zeker vergeleken met de rauwe rouw van sommige andere nabestaanden in de documentaire. Sandra: „We hadden bewust besloten de filmploeg niet uit te nodigen bij de uitvaart en andere emotionele momenten. Die zijn van ons.” Mirjam: „Gelukkig waren het alleen vreemden die ons koud vonden. Of mensen die zelf nooit wat heftigs hebben meegemaakt.”

Sandra: „We hebben ook móóie reacties gekregen. Van dat meisje. Ze had ook haar ouders en broer verloren. Bij een auto-ongeluk, toch? Mirjam knikt: „Zij bleef als enige over.” Sandra: „Zij nam het restaurant van haar vader over en ging vrij snel door met haar leven. Ze herkende zich in ons, zei ze. En zij kreeg ook nare reacties. Dat ze te koud was en te snel doorging met alles.” Mirjam: „Ze was 18 ofzo.” Sandra: „Ja, echt heel jong.” Mirjam: „Terwijl, als je 18 bent, kun je ook in bed gaan liggen en nooit meer opstaan, of gaan stappen en zuipen.” Sandra veert op: „ Ik had een regel voor mezelf. Ik dacht: zul je net zien dat ik nu alcoholist word. Dus ik mocht één keer in de week drinken, en één keer in de maand meer dan drie glazen.” Mirjam: „Echt?” Sandra: „Ja, dat heb ik twee jaar zo gedaan.” Mirjam: „O, wow.”

Focussen op het gemis

Het idee om ‘iets’ te doen met hoe zij rouwen, kregen ze, los van elkaar, tijdens een nabestaandenbijeenkomst in de zomer van 2019. Die bijeenkomsten zijn er regelmatig, maar dit zou, zegt Sandra, een belangrijke worden. Mirjam: „Dus we dachten, we gaan weer een keer. Het is toch vlakbij, in Nieuwegein.” Dit keer maakte het onderzoeksteam bekend dat drie Russen en één Oekraïener vervolgd zouden worden voor het neerhalen van de Boeing-777 boven Oost-Oekraïne. Sandra: „Er zaten wel duizend nabestaanden in de zaal. Vijfhonderd? Nou ja, zeker tweehonderd.” Mirjam: „Na het officiële praatje was er ruimte voor vragen. Veel mensen waren boos. Woedend.”

Wij willen vertellen dat niet alle nabestaanden boos en verdrietig en zielig zijn

Sandra: „Het werd gebracht als overwinning, die vier verdachten, en dat schoot mensen in het verkeerde keelgat. Want niet die mannen, maar Rusland zou de schuldige zijn. Het was een moordaanslag. Een complot.” Mirjam: „De sfeer werd grimmig, mensen liepen weg, anderen clashten met elkaar. Sommigen wilden het liefst een oorlogsverklaring aan Rusland. Ja echt, een Derde Wereldoorlog beginnen. Of gewoon één iemand live executeren. Iets simpels. Genoegdoening. Straf.” Sandra: „Maar zo simpel ligt het niet. Het is politiek gevoelig. Complex.”

Mirjam: „Na afloop stonden de tv-camera’s bij de uitgang. En het zijn altijd dezelfden die daar in een rechte lijn heenlopen en beginnen te janken.” Sandra: „Toen we samen in de auto zaten, dachten we allebei: dé nabestaande bestaat niet.” Mirjam: „Wij wilden vertellen dat niet alle nabestaanden boos en verdrietig en zielig zijn.” Sandra: „Woede is oké, openlijk verdriet ook en alles daartussenin. Er is een hele range aan rouwen, en zoals wij het doen is óók normaal.” Tegen haar zus: „Ik ben wel bang dat mensen denken dat wij met dit boek de spotlights opzoeken.” Mirjam: „Dat is onze motivatie niet. Wij willen laten zien dat je kunt doorgaan, en toch geen koude bitch bent.” Wat hier misschien meespeelt, zeg ik, is dat zij de jongste volwassen nabestaanden zijn. Sandra knikt: „Ons leven moest nog beginnen.” Mirjam: „Kinderen jonger dan wij waren met hun ouders mee.” Die zaten in het vliegtuig op weg naar Kuala Lumpur.

Mirjam (links) en Sandra Ploeg Foto Frank Ruiter

Tig alarmpjes

Els Quaegebeur is erbij als de zusjes praten met Jos de Keijser, bijzonder hoogleraar complexe rouw aan de Rijksuniversiteit Groningen. Sandra: „Dat vond ik het allerinteressantst. Hij legde uit dat bij zoiets groots je werkgeheugen vol zit met wat er is gebeurd. Dat klopt precies. Ik vergat alles in die tijd. Sleutels, portemonnee. Mijn hoofd zat te vol.” Mirjam haalt haar telefoon tevoorschijn. „Kijk, ik heb tig alarmpjes ingesteld. Nog steeds. Dit niet vergeten, dat niet vergeten.” Op Mirjam maakte het gesprek met Daniël de meeste indruk. Ook een nabestaande, iets ouder dan zij, hij verloor zijn vader. „Zo soepel als het bij ons ging, zo’n puinhoop is het nog steeds voor hem. Gedoe met geld, huis, familieleden.” Sandra: „Wij konden ons al vrij snel focussen op het gemis.” Mirjam: „Bij hem zit veel woede. Hij heeft het ook steeds over de moord op zijn vader.”

Lees ook: Liesbeth Rasker maakte een podcast over rouwen

Mirjam werpt een blik op het bord van haar zusje. „Is dat alles wat je eet?” Sandra, handen op haar buik: „Ik zit vol. Misschien vraag ik een doggy bag.” Mirjam: „Zo weinig… eet je wel een beetje goed de laatste tijd?” Sandra tegen mij: „Ik val gewoon snel af. Na het ongeluk woog ik nog maar 55 kilo ofzo. Echt weinig.” Mirjam: „Dat is niet raar. Wel ongezond.” Sandra, trots: „Ik ben nu drie kilo aangekomen.”

De rechtszaak tegen de vier verdachten is in maart vorig jaar begonnen en deze maand hervat. Sandra: „Mensen vragen of ik het allemaal wel een beetje volg. Eerlijk gezegd hou ik me er totaal niet mee bezig.” 91 nabestaanden maken gebruik van hun spreekrecht ter zitting. „Dat is negentig keer een half uur praten, dat is 45 uur. Dan zou ik er fulltime mee bezig zijn.” Mirjam: „Piet doet dat. Die arme man.” Hun oom Piet Ploeg, broer van hun vader, is voorzitter van de nabestaandenstichting. Hij zit elke zittingsdag in de zaal. Sandra: „Soms vraag ik me af hoe gezond dat voor hem is.” Mirjam: „Hij vindt het moeilijk om verder te gaan. Vooral omdat van onze vader niets is teruggevonden. Ons maakt dat niet zoveel uit.” Sandra: „We weten dat papa er niet meer is.”

Mirjam: „Piet kan geen afscheid nemen als er niks is om afscheid van te nemen. Al was het maar een botfragment.” Sandra: „O, zeggen mensen soms, als er geen lichaam is gevonden, hou je altijd hoop dat hij er nog is. Maar zo’n explosie, dat overleef je niet hoor.” Mirjam, lacherig: „En als het wel zo was, zou hij een hufter zijn als hij ons dat niet even had laten weten.” Sandra: „De kisten van mama en Robert waren ook dicht.” Mirjam: „Ik heb nog nooit een dode gezien.” Sandra: „Ik herinner me dat er een oom was overleden. De kist was open en stond ergens apart. Ik was 10. Kom mee, zei mijn nichtje, en ze wilde het zaaltje inlopen. Ik moest huilen en liep weg. Papa zei toen: ‘Je hoeft niet te kijken. Herinner hem maar zoals hij was, dat vind ik ook veel fijner.’ Dat is me zo bijgebleven. Je hoeft geen afscheid te nemen van een lichaam om te kunnen rouwen.”