Je kunt je afvragen of het kinderboek van Op de Beeck kinderen wel zo serieus neemt

Het was, zei Griet Op de Beeck onlangs in de Volkskrant, „iets dat al heel lang in mijn achterhoofd sluimerde, namelijk een boek schrijven dat ook geschikt is voor een jonger publiek.” In lockdown schreef ze het – laten we het beestje bij de naam noemen – kinderboek Jij mag alles zijn. Geen totale breuk met haar voorgaande werk: „Het gaat ook niet over draken, prinsessen en kastelen, maar over de lastige morsigheid van het leven.” Maar ze wist: een kinderboek, „dat stelt natuurlijk andere eisen”.

Dat klopt, maar het lijkt erop dat Op de Beeck even aan dat idee heeft moeten wennen: de toon van het verhaal zwabbert. De achtjarige Lexi schippert tussen naïeve, kinderlijke verwondering („Waarom wordt oude kaas eigenlijk ‘oud’ genoemd? Die kaas is jonger dan Lexi”) en ouwelijke woorden („maar Lexi liet zich niet vermurwen”), waardoor je vooral het idee hebt dat hier een volwassene een kinderstem probéért te benaderen.

Bovendien gaat het verhaal erg kalm van start, om niet te zeggen saai, met een overschot aan niet echt interessante informatie: „Papa is op kantoor. Hij moet altijd hard werken om geld te verdienen voor hen.”

Langzaam tekent zich het probleem af: de moeder van Lexi is depressief vanwege de dood van haar zoon, Lexi’s broertje Amos, jaren geleden. Die depressie ligt als een donderwolk over het gezin, en over het boek. Dat Lexi vol goede moed zit en zichzelf spaghetti leert koken om haar moeder op te vrolijken, maakt haar schrijnend – al moet je als lezer misschien wel volwassen zijn om de pijnlijkheid van die parentificatie in te zien.

De recente kinderliteratuur barst van de kinderen die de verantwoordelijkheid voor het hele gezin op hun schouders nemen, vaak met een groot, driest plan – van Een kleine kans van Marjolijn Hof tot Gips van Anna Woltz. Op de Beeck volgt dat narratief, vooral in het levendige tweede deel van het boek. Als Lexi’s moeder in een kliniek wordt opgenomen, logeert Lexi bij haar tante Arizona. Prompt werpt ze zich op als bemiddelaar in de jarenlange brouille met haar zoon – een vermetel plan dat wonderwel slaagt en haar inspireert tot méér dadendrang, als ‘planner en betermaker’.

Die depressie ligt als een donderwolk over het gezin, en over het boek

Iets té wonderwel wellicht: daar verschilt de gedachte van zelfbeschikking en maakbaarheid, waarop Op de Beecks werk drijft, van de meer realistische aanpak van kinderboekenschrijvers als Hof of Woltz. „Ik denk dat we geneigd zijn kinderen niet altijd au sérieux te nemen”, kritiseerde Op de Beeck in het genoemde interview – maar je kunt je afvragen of de wensvervullende plot van Jij mag alles zijn kinderen wel zo serieus neemt.

Op de Beeck wil haar jonge lezers duidelijk een les meegeven – je hoeft niet één rol te spelen, jij mag alles zijn – maar teleurstellend is dat die vrij zouteloos wordt opgediend: in een slotsequentie waarin veel uitgesproken wordt, maar waarvan je je kunt afvragen hoeveel rekening die monterheid houdt met de lastige morsigheid waar we tot dan toe over lazen. Daar zit een tragische ironie in: Jij mag alles zijn wordt er een machtelozer en deprimerender boek van dan Op de Beeck voor ogen zal hebben gehad.

In deze rubriek schrijft NRC over de populairste boeken van dit moment. Reacties: boeken@nrc.nl