Recensie

Recensie Boeken

Geestige brieven vol roddels tussen Carmiggelt en de dichteres

Briefwisseling Vijftien jaar lang schreven Simon Carmiggelt en dichter Ellen Warmond elkaar geestige brieven, die nu zijn uitgegeven.

Schrijver en columnist Simon Carmiggelt in de jaren zestig.
Schrijver en columnist Simon Carmiggelt in de jaren zestig. Foto: Wubbo de Jong/MAI

Simon Carmiggelt en Ellen Warmond hadden weinig met elkaar gemeen, zo te zien. Hij was de veelgelezen columnist wiens monkelende ironie gewoonlijk in herfstige tinten werd opgediend. Zij schreef sensitieve gedichten die doorgaans ernstig van toon waren en een veel kleiner publiek trokken. En ook in idiomatisch opzicht liepen ze danig uiteen. Dat ze niettemin vijftien jaar lang met elkaar hebben gecorrespondeerd, is een verrassing die pas nu, in de brievenbundel Lief Museum, naar buiten wordt gebracht.

Het was Warmond die de eerste brief schreef. In haar functie bij het Letterkundig Museum in Den Haag, waar ze jarenlang heeft gewerkt, wendde ze zich in september 1964 tot Carmiggelt met de vraag of hij een opschrijfboekje met handgeschreven columns wilde doneren aan de museumcollectie. Afgezien van de aanhef (‘zeer geachte Heer Carmiggelt’) was er verder niets formeels aan die eerste brief. In plaats daarvan sloeg ze een schertsende toon aan, over het lot van zo’n populaire schrijver die – dat begreep ze best – wel iets anders aan zijn hoofd had dan in te gaan op zulke triviale verzoekjes. Dat werkte. Prompt stuurde Carmiggelt haar zo’n boekje, waarop Warmond een speelse bedankbrief schreef, waarop Carmiggelt ook weer reageerde – en zo gleden ze in een heuse correspondentie. Al twee maanden na hun eerste contact richtte Carmiggelt zich tot ‘Lief Museum’ en daarna was zij al gauw ‘Lieve Ellen’.

De briefwisseling duurde voort tot november 1979. Waarom er toen een eind aan kwam, is niet bekend. In totaal schreef zij 51 brieven aan hem, terwijl hij er 33 aan haar schreef. Veel zielenroerselen komen er niet in voor. Ze hielden het luchtig, hadden het vooral over hun werk en deden duidelijk hun best elkaar aan het lachen te maken door zo veel mogelijk literair getinte anekdotes op te dissen. Zoals de herinneringen die Warmond van diverse dames optekende over het rusteloze liefdesleven van de dichter A. Roland Holst. Dat bestond, schrijft ze, voornamelijk uit ‘amateuristische hand- en spandiensten in door stinkende oliekacheltjes verwarmde rendez-voushuizen.’ Waarna ze fonetisch de woorden noteert die de ietwat plechtstatige poëet tijdens een van zijn ‘gebrekkige performances’ aan een bedgenote zou hebben toegevoegd: ‘Je habt een veurtrèffelijke darrière.’

De brieven wemelen van zulke verhalen. Helaas zag Warmond zich na verloop van tijd echter wel gedwongen het noemen van namen voortaan achterwege te laten, omdat het Letterkundig Museum zijn medewerkers een geheimhoudingsverklaring had laten ondertekenen. Maar gelukkig is het de samenstellers van dit brievenboek in de meeste gevallen toch gelukt te achterhalen over wie de anoniem gedebiteerde roddels in werkelijkheid gingen.

Opvallend is dat Ellen Warmond, die nooit bekend stond als Carmiggelt-epigoon, in deze brieven veelvuldig tracht de metaforische verteltrant van haar correspondentievriend te evenaren. Ze heeft het over een oude dame vol kwalen ‘die ze, met een wil als het Empire State Building, draagt als licht rinkelende kerstboomversierselen.’ En ze vergelijkt haar omgang met de elektrische schrijfmachine met ‘de schichtige manier van kinderen die een paard voeren.’

Dat komt dicht in de buurt van de echte Carmiggelt, maar helemaal raak is het net niet. En soms ook een beetje gemaniëreerd. Net als het stopwoordje dat ze veel te vaak op een lange zin laat volgen: ‘Bon.’ Maar begrijpelijk is het wel, dat Carmiggelt haar brieven kennelijk amusant genoeg vond om telkens terug te blijven schrijven. De zijne zijn dat ook.