Recensie

Recensie Boeken

Je leest prachtig-schrijnende familiescènes in de Booker Prize-winnende roman (●●●●●)

Opnieuw relevant Met zijn nieuwe roman staat deze Zuid-Afrikaanse schrijver op de shortlist van de Booker Prize. Hij schrijft over een onhoudbare belofte met grimmige speelsheid.

Een witte familie in Pretoria, Zuid-Afrika.
Een witte familie in Pretoria, Zuid-Afrika. Foto Paul Weinberg

De nieuwe roman van Damon Galgut, De belofte, is een bijzonder boek. Dat vond de jury van de Booker Prize blijkbaar ook, want die plaatste de roman op de shortlist. Die lijst haalde Galgut (Pretoria, 1963) twee keer eerder, de laatste keer in 2010 met zijn roman In een vreemde kamer. Dat was een uitstekend geschreven maar zwaar boek, zonder lucht of relativering. Ook in De belofte bewijst Galgut wat voor goede stilist hij is, maar loodzwaar wordt het deze keer niet. Je zou bijna het woord ‘speels’ gebruiken voor de manier waarop Galgut zijn verhaal vertelt, maar dan gaat het om een grimmige, cynische speelsheid. Vrolijk word je er niet van. Onder de indruk raak je wel.

Eerst het verhaal. De witte familie Swart woont op een boerderij bij Pretoria. Het is eind jaren tachtig, het zou nog even duren voor de Apartheid wordt afgeschaft. Wanneer de moeder van het gezin overlijdt, dwingt ze bij haar man de belofte af dat hij hun zwarte huishoudster Salomé het huis waarin ze woont zal schenken. De jongste dochter Amor luistert het gesprek af en zal haar vader, haar zus Astrid en haar broer Anton gedurende de decennia die volgen aan die belofte blijven herinneren; maar niemand is vooralsnog geneigd ernaar te handelen.

De belofte bestaat uit delen waartussen zo’n tien jaar liggen. Elk deel is genoemd naar een familielid, en al gauw krijg je het vermoeden dat elk familielid zal sterven in het naar hem of haar genoemde deel. Ongeacht of dit nu gaat gebeuren of niet, de verwachting zet de toon: De belofte is een tragedie over familieleden die ten onder gaan, niet als geheel, maar stuk voor stuk, aan hun isolement, aan hun onvermogen elkaar, zichzelf en de wereld recht in de ogen te kijken.

Romans waarin grote tijdssprongen worden gemaakt hebben dikwijls iets fragmentarisch, alsof je alleen de hoogtepunten krijgt voorgeschoteld van een geheel dat zich nooit helemaal aan je zal openbaren. Voor De belofte geldt dat niet, omdat Galgut er op een andere manier in slaagt toch het hele verhaal vertellen – over Amor, die ver weg moet om aan haar familie te ontkomen. Aan Astrid, die vlucht in huwelijken en overspel, en aan Anton, de oudste broer, intelligent, cynisch, maar vanaf het begin af aan al gewond door een misdaad die hij pleegt als dienstplichtig soldaat. Als volwassenen gaan ze hun eigen moeizame weg, maar helemaal doorgesneden raakt de familieband nooit.

Stilistisch is er van alles aan de hand in De belofte. De alwetende verteller van het boek switcht voortdurend, en soms razendsnel, van het ene personage naar het andere, en daaronder vallen ook personages die kleine tot minieme rollen spelen – van een ijdele, halfblinde dominee tot een zwerver die Bob heet. Die uitstapjes lijken willekeurig, maar zo zorgt Galgut dat het verhaal onderdeel wordt van iets groters, van de wereld waarin het zich allemaal afspeelt: het Zuid-Afrika van voor en na de Apartheid. Opvallend is ook de manier waarop Galgut zijn verhaal vertelt: hij laat duidelijk merken dát het verteld wordt. Zo onderbreekt de alwetende verteller hier en daar zijn relaas om een ‘je’ of een ‘jullie’ aan te spreken, zonder dat meteen duidelijk is wie dat zijn: het personage in wiens hoofd we op dat moment zitten? De lezer? Het antwoord is nooit eenduidig. Soms worden zinnen afgebroken met ‘enz., enz.’ Kortom, we hebben te maken met een ongeduldige, soms korzelige verteller, die harde ironie en satire niet schuwt. Hier is geen zachte heelmeester aan het woord.

Al dit stilistisch vertoon zorgt voor een onrustige leeservaring, maar algauw begrijp je dat die onrust precies bij Galguts familieroman past, want hij vertelt een onrustig verhaal over onrustige mensen; je hebt het niet meteen door, maar stijl en inhoud vallen samen. Je wordt voortdurend op het verkeerde been gezet, maar de personages staan ook niet zo stevig op de aarde. Hun aarde, dachten ze ooit, maar dat verandert snel. De ooit gedane belofte blijft steeds terugkomen en eindigt in een schrijnende, veelzeggende scène. Er zijn meer prachtig-schrijnende familiescènes (een barbecue, diverse begrafenissen), en laten we ook Galguts beeldspraak niet vergeten. ‘Ze voelt zich lelijk als ze huilt, als een openbarstende tomaat’, schrijft hij over de jonge Amor, die de dood van haar moeder niet wil erkennen. En deze, over een grafstoet: ‘En verder maar, naar buiten. Door de zijdeuren van de kerk, het kerkhof op, waar de aarde haar mond al openhoudt.’ Toch raakt misschien niet iedereen verzwolgen.