Özcan Akyol en Lex Kroon.

Foto’s Daniel Niessen

Interview

Bijzondere roman uit de vergetelheid, dankzij Özcan Akyol. ‘Door dit boek ging ik zelf schrijven’

Lex Kroon en Özcan Akyol, schrijvers Rotterdammer Lex Kroon beschreef in 1984 de gruwelen die hij doormaakte in een psychiatrische instelling. Met hulp van Özcan Akyol is het nu heruitgegeven. „Door het boek ging ik mezelf beter begrijpen.”

Rotterdammer Lex Kroon (80) had graag een ‘echte’ schrijverscarrière gewild. Maar de jaren na zijn eerste boek Ik lach om niet te huilen was het vooral zuipen, snuiven, taxi’s rijden en restaurants runnen. Dat de uitgever van schrijver Özcan Akyol een paar maanden geleden voorstelde zijn boek opnieuw uit te geven, was voor hem een verrassing.

Tegen de verwachtingen in werd Kroons schelmenroman in 1984 geen bestseller. Simon Carmiggelt hielp hem met de eerste zin, hij was te gast in de talkshow van Sonja Barend. Van de eerste oplage van 10.000 werden 6.700 exemplaren verkocht. Niet verkeerd, vindt de schrijver zelf. Maar na een paar jaar waren Lex Kroon en zijn boek door bijna iedereen weer vergeten.

Lees ook de recensie: Geloof de hype: Ik lach om niet te huilen is een literaire herontdekking van formaat

Dat geldt niet voor Özcan Akyol (37), die het als negentienjarige jongen – na wat kleine delicten – in het huis van bewaring in Scheveningen las. Voor die tijd vond hij literatuur maar een stoffig gebeuren. Dit boek was héél grappig, vond hij. Het raakte hem zo dat hij nooit meer is gestopt met lezen. „Door dit boek ben ik zelf gaan schrijven. Lex Kroon heeft mij daarmee rijkdom gegeven. Zowel letterlijk als figuurlijk.”

Cocaïneverslaving

Kroon beschrijft in Ik lach om niet te huilen de gruwelen die hij doormaakte in de psychiatrische instelling Sint Bavo Noordwijkerhout, zijn pad naar criminaliteit in de Rotterdamse onderwereld en verdere aftakeling naar een cocaïneverslaving.

Tot voor kort was het nergens meer te verkrijgen. Omdat het voor hem zo veel betekend heeft, vond Akyol dat mensen het nu opnieuw zouden moeten kunnen lezen. Hij stelde zijn uitgever voor Kroon op te zoeken en het opnieuw uit te geven. Het duurde even voordat ze hem te pakken kregen. Door een oogaandoening kan hij zijn mails niet goed lezen.

Lex Kroon. „Eus is altijd te laat.”

Foto Daniel Niessen

Als Akyol hem in april dit jaar voor het eerst ziet, schrikt hij een beetje. „Hij was heel broos. We hebben getwijfeld of we dit wel moesten doen, of het niet te veel voor hem zou zijn. Maar toen hij tussen neus en lippen door vertelde dat hij in de schuldsanering zit, dacht ik: als ik iets voor hem kan doen, dan is dit het.”

„Eus is altijd te laat”, zegt Kroon in de kleedkamer van Voetbal Inside – Akyol komt ruim twee uur na de afgesproken tijd binnen. Deze vrijdagavond zitten ze samen in de uitzending om over het boek te vertellen. Afgelopen week is een klein mediacircus met tv- en kranteninterviews. Dat hij nu zo veel aandacht krijgt, vindt Kroon prachtig. Hij leeft er helemaal van op.

Ik krijg van Lex steeds te horen hoe geweldig hij mij vindt

Özcan Akyol schrijver

Voor de foto, die buiten wordt gemaakt, rijdt zijn vriend de auto even voor. Lopen – zeker trap lopen – gaat niet meer zo makkelijk. Dat maakt nu allemaal wat minder uit. Straks zit Kroon bij zijn voorbeeld Johan Derksen in de studio.

De eerste keer dat hij Akyol ontmoette, vond hij hem maar ongeïnteresseerd. „Hij zat alleen maar kauwgom te kauwen”, zegt hij, terwijl hij een vies gezicht trekt en doet alsof hij kauwt. „Ik ben al eens opgelicht door een Turk. Het zal me toch niet nog een keer gebeuren, dacht ik. Maar de tweede keer was het raak. Sindsdien hebben we een band.”

Een band die volgens Akyol een beetje ongemakkelijk is. „Hij is mij heel dankbaar. Ik krijg steeds te horen hoe geweldig hij mij vindt.” Maar eigenlijk, vindt Akyol, lijken ze op elkaar. Ze zijn beiden „buitenbeentjes” uit een milieu waar mensen het niet breed hebben. Dat is mede waarom het boek van Kroon hem zo raakte.

Lees ook dit Zomeravondgesprek tussen Özcan Akyol en Hugo Borst: ‘Jij bent ook een mediahoer’

Hoewel het boek over een andere tijd gaat, kent Akyol het milieu van koppelbazen, katvangers, huisjesmelkers en hoerenlopers. Hij groeide op in een soortgelijke omgeving in Deventer en kende daar dezelfde problemen: vastlopen in systemen, niet begrepen worden. „Door het boek ging ik mezelf beter begrijpen. Het klopt, dacht ik, sommige mensen hebben gewoon minder kansen.”

Het gaf hem een nieuw inzicht. „Toen ik jong was, dacht ik dat mensen tegen ons waren omdat we Turken zijn. Maar van het boek leerde ik dat de gehele sociale onderklasse niet altijd eerlijk behandeld wordt. De tweedeling in de samenleving bestaat helemaal niet uit autochtonen en wat we toen nog allochtonen noemden.”

Rauw randje

Als je Kroon vraagt of hij de vergelijking tussen Deventer en Rotterdam begrijpt, kijkt hij vragend. Maar voor Akyol is het héél duidelijk: „Net als Rotterdammers zijn we in Deventer heel trots op onze stad. Tegelijkertijd hebben we een soort minderwaardigheidscomplex. Het gevoel dat we over het hoofd worden gezien, dat alle mooie dingen ergens anders moeten gebeuren.” Bovendien hebben beide steden een rauw randje.

Al hoor je ook weleens dat Rotterdam dat rauwe imago verliest. Maar volgens Kroon, die als oud-taxichauffeur alle straten van de stad kent, is daarvan geen sprake. „Ik ken genoeg mensen die rijk zijn geworden van coke tussen de bananen. En dat gebeurt nu meer dan ooit. Voor de politie is het dweilen met de kraan open.”

Hoewel Kroon Rotterdam altijd met zich meedraagt, mist hij de stad niet. Hij heeft het prima in zijn nieuwe woonplaats Vlaardingen. Hij woont al 33 gescheiden van zijn vriendin, die eens in de paar maanden langs komt. Elke avond bellen ze om half zeven.

Akyol verwacht dat de literaire goegemeente – „de mensen die het boekenkatern van NRC en de Volkskrant volschrijven” – het boek niet tot literatuur met de hoofdletter L zal rekenen. „Die hebben andere verwachtingen van literatuur. Kroon spot met alle literatuurwetten. Korte hoofdstukken, losse anekdotes. Het is grof, met soms flauwe taalgrappen. Het is geen roman zoals we die gedoceerd krijgen op de universiteit.”

Er zijn al 3.000 exemplaren verkocht van de heruitgave, die 10 september verscheen. Er komt een tweede druk. De vraag is of de grootste reden voor het succes niet Akyols naam is die in koeienletters op de cover staat. „De letters waren eerst nog groter. Ik heb de uitgever gevraagd ze kleiner te maken. Objectief gezien is het gewoon een goed boek. Het is in ’84 door zes kranten gerecenseerd: allemaal positief. Dat heeft niks met mij te maken. Maar voor de verkoop helpt het wel dat ik mijn naam eraan verbind.”

Waarom raakte het boek destijds dan in de vergetelheid? Volgens Kroon was er niet genoeg tegenslag in die tijd. „Als je zelf geen ellende hebt, zoek je het ook niet op in een boek. Nu is mijn boek niet alleen meer voor een kleine groep. Door corona heeft iedereen het moeilijk.” Akyol: „Het is moeilijk te zeggen. Ik denk dat het misschien te ongepolijst en te controversieel was voor die tijd. Niet iedereen zet z’n dossier uit een gesticht integraal in een boek.”

Feyenoord

De twee mogen elkaar dan wel dankbaar zijn, kritisch zijn ze ook. Het tweede en laatste boek dat Kroon uitbracht, Lach & vergeet, vindt Akyol maar niks. „Het gaat te veel door op het vorige boek.” Kroon begon ooit aan een boek van Akyol – welke weet hij niet meer – maar kwam er niet doorheen. „Hij verkoopt zich bewusteloos, maar ik ben er niet kapot van. De inhoud spreekt me niet aan en ik houd niet van de stijl.”

Het liefst schrijft Feyenoord-fan Kroon nog een laatste boek: De magie van de Kuip, over alle mooie dingen die in dat stadion gebeuren. Daarom kijkt hij de afgelopen jaren niet veel tv meer: hij moet zijn ogen sparen om te kunnen schrijven.

Zelfs Akyol had hij tot dusver niet op de televisie gezien.