Recensie

Recensie Boeken

Dit lees je zelden, zo rauw, raak en onvergelijkbaar (●●●●)

Ik lach om niet te huilen De volstrekt eigen stijl van Lex Kroon kan je zien als ‘outsiderliteratuur’. In zijn roman zit veel drama, toch dient hij het met een grote grijns op.

Lex Kroon.
Lex Kroon. Foto Daniel Niessen

Geloof de hype: Ik lach om niet te huilen is een literaire herontdekking van formaat. Een boek als de eerste roman van Rotterdamse koppelbaas, taxichauffeur en psychiatrisch patiënt Lex Kroon (1941) lees je maar zelden, zo rauw, raak en onvergelijkbaar. Zoals je in de beeldende kunsten de art brut hebt, ‘outsiderkunst’ – van autodidacte, vaak geestelijk geplaagde kunstenaars, wier werk buiten de orde valt en wars is van conventies – zo zou je Kroons boek outsiderliteratuur kunnen noemen. In een volstrekt eigen stijl beschrijft hij hoe hij na een moeilijke jeugd afgleed in geldzucht en louche zaken en uiteindelijk in een psychiatrische instelling belandde. Overspannen, na jarenlang leven in de hoogste versnelling. ‘Ik was afgevlagd. Mijn race was veranderd in een slakkengang.’ Oftewel: ‘Ik was niet meer vooruit te branden, al hielden ze een vlammenwerper achter mijn reet.’ In Kroons verhaal ligt veel drama besloten – zie de titel – maar toch dient hij het telkens met een grote grijns op.

Platgespoten cliënten

Zo noemt Kroon de groepstherapie in de Sint Bavo in Noordwijkerhout, waar geen van de platgespoten cliënten enige behoefte heeft om de mond open te trekken, ‘de dagelijkse Willem de Zwijger-herdenking’. Het eten is voer: ‘Ballen gehakt waren verklede meelballen. Bal masqués.’

Lees ook het interview met Lex Kroon en Özcan Akyol, die ervoor zorgde dat het boek een heruitgave kreeg

Flauw en plat? Ja, Kroon wil graag leuk gevonden worden – en snoeft als een onvervalste schelm over een woeste affaire uit zijn jonge jaren, in een Rotterdams flatje: ‘De weken die daarop volgden kreeg ik onderricht in de neukelogie aan de universiteit van Ommoord.’ Maar is hij dan wel eerlijk? Ja, júíst, zou ik zeggen. ‘Maar ik maak nu eenmaal overal een geintje van. Daarom schrijf ik ook dit boek. Een geintje.’ In zijn gein zit zijn ware aard, want behalve behaagzucht spreekt er uit alle grollen ook iets ontroerends: door met een grappenmakersblik naar zijn leven te kijken, kan hij luchtig en puntig beschrijven hoe zuur zijn penarie was én slaagt hij erin daar afstand van te nemen. Het is goedgekomen, het is een goed verhaal geworden.

Pijnlijk eerlijke brief

Ik lach om niet te huilen begint met het psychiatrische avontuur, daarna pas komt de voorgeschiedenis: een jeugd die getekend wordt door een hatelijke band met zijn vader, een potentaat, een huistiran. Zo krijgt Kroon steeds meer diepte. De pijnlijk eerlijke brief die hij schrijft ‘aan mijn dode vader, die nog leeft’, gaat door merg en been. En zijn diagnose van de koppelbazenpraktijken in het naoorlogse Nederland (waaraan Kroon bakken met geld verdiende) getuigt van scherp inzicht.

Een beetje gedateerd is dat wel – sinds de roman in 1984 verscheen, is Nederland (en zeker de situatie in de psychiatrie of de bouw) toch echt veranderd. Dat is soms bezwaarlijk: wie de jaren tachtig niet bewust meemaakte, duizelt het van de actuele grapjes over Aad Nuis, Willem Duys en Mies Bouwman. Maar het neemt niet weg dat je via Kroons verhaal nog altijd een onvergetelijk mens leert kennen.