Recensie

Recensie Boeken

Voor het eerst spreekt Paolo Cognetti met de stem van een vrouw

Paolo Cognetti Opnieuw beginnen in de bergen, in de ongerepte natuur. Dat thema vult Cognetti nu op een andere manier in – want dit keer is er een vrouwelijke stem.

Illustratie Paul van der Steen

In Paolo Cognetti’s nieuwe roman Het geluk van de wolf is iets merkwaardigs aan de hand. Voor het eerst introduceert de Italiaanse succesauteur nadrukkelijk de stem van de vrouw. En nog in tweevoud ook. De stoere vrouwen Babette en Silvia sturen de zoekende man, en hebben mooie plannen voor hun eigen toekomst.

Lees ook: Twee jongens in bezit van de bergen

In Cognetti’s romans ging het altijd om een man die ‘opnieuw moet beginnen’ of die zijn heil zoekt in de bergen. In de bekroonde roman over vriendschap De acht bergen (2017) was het de dertiger Pietro die weg trok uit de stad, naar de bergen. In Zonder de top te bereiken (2020) was het de schrijver zelf die in Nepal met vrienden wandelde om tot inzichten te komen. Het geluk van de wolf kent weliswaar hetzelfde principe – deze keer is het de schrijver Fausto, een veertiger uit Milaan, die naar de bergen vlucht na een mislukte relatie van tien jaar – maar er is nu de vrouwelijke laag bij gekomen. Dat wil niet zeggen dat de thema’s en motieven niet vertrouwd zijn. Ook deze roman draait om bivakkeren in een afgelegen berghut, eenzaamheid, wandelen door de bossen langs geknakte lariksen, klimmen in het schitterende hooggebergte en contact met mensen die er geboren en getogen zijn. Alleen de psychologische roman Sofia draagt altijd zwart (2013) – over een ongelukkige vrouw en haar zoektocht naar volwassenheid – speelde zich niet af in de bergen.

Stoeltjesliftpersoneel

De opvallende introductie van de vrouwelijke stem in Het geluk van de wolf doet vooral iets met de toon van het boek. Cognetti’s mannen zijn geen grote praters, zijn vrouwen des te meer. De dialogen zijn directer, en ook completer. Ten eerste is daar Babette, die eigenlijk anders heet maar geïnspireerd door de novelle Babette’s Feast van Karen Blixen haar restaurant op de berghelling ‘De tafel van Babette’ noemt. In dat restaurant is schrijver Fausto zeven dagen per week de kok – hij moet geld verdienen. Het is Babette die in de winter het stille bergdorp, dat voor drie maanden explodeert in een skidorp waar alle bergbewoners opeens stoeltjesliftpersoneel, reddingswerker of sneeuwkatbestuurder zijn, van eten en drinken voorziet. Het is Babette die als een mater familias ook Fausto’s levensverhaal aanhoort.

En dan is er Silvia, een jonge vrouw die zich heeft voorgenomen in de zomer in een ‘gletsjerhut’ te gaan werken. In de wintermaanden helpt zij bij Babette in de bediening en wordt er verliefd op Fausto. Haar echte heldenrol begint vanaf het moment dat ze in de gletsjerhut Quintino Sella (die echt bestaat) aan haar werk als zomerhulp begint. Na het werk komt het waaghalzen: met de Nepalese gids en later ook met Fausto schuurt zij langs gletsjeswanden en tilt zichzelf hoger met pikhouwelen. Die scènes zijn adembenemend (‘Ze merkte amper de twee gletsjerspleten op die ze passeerden, de ene door eromheen te lopen, de andere na een ijsbrug te zijn overgestoken’), terwijl toen het nog mannen waren in Zonder de top te bereiken, het gewoon onderdeel van de gewaagde expeditie leek. Mannen die het routinematig deden.

In Cognetti’s boeken kwamen op die hoogte geen vrouwen voor, des te indrukwekkender is het nu Silvia het voortouw te zien nemen. Zelfs Fausto is onder de indruk van haar klimtechniek (‘Je bent in vorm’) en laat haar op de terugweg voorop lopen. Silvia’s antwoord (‘Tja, dat komt waarschijnlijk van al dat vloeren dweilen’) is weer een voorbeeld van de nuchtere stem van de vrouw in de bergen.

Deze Silvia heeft als doel te reizen in de hoogte; dat wil zeggen: ze las in een aardrijkskundeboek voor kinderen dat duizend meter klimmen in de Alpen ‘gelijk’ staat aan duizend kilometer noordwaarts reizen. ‘De flora, de fauna en zo. Er stond in dat het klimaat naarmate je hoger komt veel sneller verandert dan langs de lengtegraad.’ De fascinatie voor reizen heeft zich, door geldgebrek om ze daadwerkelijk te maken, beperkt tot klimmen ‘naar het noorden’.

Lievelingsberg

Zo is haar doel naar de Noordpoolcirkel te reizen door drieduizend meter te klimmen in de Alpen. En laat de gletsjerhut nu op 3585 meter hoogte liggen.

De mooie vondst ‘te reizen door te klimmen’ is ook een metafoor voor het bereiken van geluk. Zo’n zelfde streven naar ‘meer’ en ‘hoger’ was er ook in het klimmen in De acht bergen. Daar wilde Pietro, net als zijn vader (‘een zondagsklimmer’), de acht toppen bereiken rondom zijn lievelingsberg de Grenon. Over zijn vader trouwens, in tegenstelling tot in De acht bergen, in Het geluk van de wolf niets dan lof.

Het zijn maar wat voorbeelden voor de sterke aanwezigheid van vrouwen waarmee Cognetti een nieuwe weg in is geslagen. Toch: zonder een echte rauwe bergbewoner als Santorso, een gepensioneerde boswachter die nu dag en nacht op de sneeuwkat rijdt, zou Cognetti tekortschieten. De van gin of brandy dromende man speurt eigenlijk naar de wolf die gesignaleerd is en naar vechtende korhoenen. Soms deed hij me denken aan de jongere Bruno, die in De acht bergen de koeien weidt. Hij kende ook alle bergen, rotsen en wist alles van lawines net zoals Santorso die zelf het slachtoffer wordt van een steenlawine. Cognetti ontwikkelde een eigen stijl in het beschrijven van de natuur. Werden hem eerder ook clichés en ‘onbeholpen taalgebruik’ verweten, die missers heeft hij nu van zich afgeschud. Het geluk van de wolf staat vol mooie beschrijvingen zonder opsmuk, zoals: ‘Toen de bergen voor mij vrijheid betekenden, zag ik de vrijheid zelfs terug in grazende koeien! Maar op zich hebben de bergen geen enkele betekenis, zijn ze niet meer dan een steenmassa waar water overheen stroomt en waar gras groeit. Voor mij zijn ze nu weer geworden wat ze zijn.’

Lees ook: Interview met Paolo Cognetti

Cognetti (1978) woont en werkt de helft van zijn tijd in Milaan en de andere maanden zit hij in de berghut in Brusson, een klein plaatsje aan de voet van de Monte Rosa in Valle d’Aosta. Van het geld dat hij verdiende met De acht bergen, dat ook de Premio Strega ontving, kocht hij de berghut die hij tot dan toe huurde, met de aangrenzende stal die hij nu duurzaam verbouwt tot een groot gastenverblijf voor vrienden en wandelaars. Er is, zoals Fausto uitlegt in Het geluk van de wolf, ‘genietend van het zout van de vrijheid en kauwend op het bitter van de eenzaamheid’ ook het verlangen naar mensen om zich heen. Uiteindelijk willen de bergmannen van Cognetti naast schrijven vooral koken – voor anderen.