Opinie

Politici zwommen de ‘Fortuynfuik’ in en maakten zo het onbehagen onbedoeld erger

Algemene Beschouwingen Perifeer ressentiment in Nederland is een bedreiging voor de economische, sociale en politieke stabiliteit. De relatie met de buitengewesten is toe aan een update, volgens en .
Boerenprotest met trekkers op het Malieveld in Den Haag.
Boerenprotest met trekkers op het Malieveld in Den Haag. Foto Marlies Wessels ANP / Hollandse Hoogte

Het recente pleidooi van de JongFryske Mienskip voor een ‘autonoom’ Friesland. De aanhoudende wanhoop van aardbevingsgedupeerden in Groningen. De woede in Zeeland (ook bij bestuurders) over de afgeblazen verhuizing van de marinierskazerne naar Vlissingen. De verontwaardiging in plaatsen als Almelo, Doetinchem en Heerlen over de aanvankelijk zeer scheve regionale verdeling van het Fonds Podiumkunsten. De boze boeren op het Malieveld. Het chagrijn bij armlastige Groningse gemeenten die met de herijking van het Gemeentefonds extra gekort dreigen te worden. Dit zijn stuk voor stuk voorbeelden, hoe ongelijksoortig ook, van perifeer ongenoegen.

In de economisch en demografisch minder bruisende randen van ons land lijkt er de laatste vijf jaar sprake van een toename van dit sentiment. Het begrip ‘maatschappelijk onbehagen’ werd sinds de opkomst van Pim Fortuyn in verband gebracht met negatieve gevoelens van groepen inwoners van Rotterdam, Amsterdam en Den Haag. Tegenwoordig manifesteert ongenoegen over politiek en overheid zich duidelijker in de regio’s Noord-Friesland, Oost-Groningen, Zuidoost-Drenthe, Zuid-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen.

Zo hebben mensen in deze streken gemiddeld een lager vertrouwen in nationale instituties dan mensen in bijvoorbeeld de Vechtstreek en in het Gooi. Ook voelen zij zich door de nationale politiek gemiddeld minder serieus genomen dan Randstadbewoners. Kiezers in deze regio’s stemden bovengemiddeld vaak op protestpartijen, zowel bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 2017, voor Provinciale Staten in 2019 als opnieuw voor de Tweede Kamer in 2021. Hiermee is niet gezegd dat maatschappelijk onbehagen geen thema meer is in grootstedelijke gebieden. Wel dat het perifere ressentiment groeit en tot op heden slechter is begrepen.

Hardnekkig verzet

Om minstens drie redenen verdient regionaal onbehagen meer aandacht. Zo bedreigen antisysteemgevoelens, bijbehorend stemgedrag en/of aansluiting bij specifieke protestgroepen, de politieke, sociale en economische stabiliteit van ons land. Ook vergroten gevoelens van achterstelling de kans op hardnekkig verzet tegen onontkoombare natuur- en klimaatingrepen juist in dunbevolkte gebieden. Maar vooral wijst aanzwellend onbehagen in het ‘randland’ op een minder goed functionerende democratische rechtsstaat: verschillende mechanismen om mensen bij elkaar te kunnen houden, haperen kennelijk nogal.

Uit een onderzoek dat we uitvoerden voor het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kwam onder meer naar voren dat het publieke, politieke en academische onbehagendebat grotendeels is blijven steken in gevoelstermen, daar waar objectiveerbare oorzaken en inhoudelijke aanpakken centraal hadden moeten staan. Vaak is het onbehagenvocabulaire onprecies en psychologisch geladen.

Lees ook: Amsterdam heeft in Oost-Nederland afgedaan: ‘Wij zijn de mainstream’

Dit geldt voor het woord ‘onbehagen’ zelf, maar denk ook aan formuleringen als ‘een collectieve negatieve stemming’, ‘de’ burger die zich ‘niet gezien’ of ‘verweesd’ voelt, de ‘boze burger’ en ‘bedreigde eigenheid’ als een vermeende hoofdoorzaak van al die gevoelens.

Aanzwellend onbehagen in het ‘randland’ wijst op een minder goed functionerende democratische rechtsstaat

Verder valt op dat de politiek-bestuurlijke omgang met maatschappelijk onbehagen nauw aansluit bij de bekende populistische weerzin tegen ‘het Haagse establishment’ en de open samenleving. Van links tot rechts opteerden partijen in de Tweede Kamer in de afgelopen jaren voor maatregelen als minder (rijks)overheid, minder Europa en minder migratie. En juist méér ‘samenredzaamheid’ binnen herkenbare gemeenschappen, en méér lokaal bestuur, op manieren die de representatieve democratie verzwakken en afbreuk doen aan rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.

Ongelukkig genoeg ging deze populistische benadering van maatschappelijke spanningen hand in hand met een al sinds begin jaren tachtig heersend financieel gemotiveerd pragmatisme. Dit wonderlijke beleidsamalgaam onttakelde voorzieningen die juist bijdroegen aan veerkracht en zelfredzaamheid van burgers. Ook verslechterden de interbestuurlijke verhoudingen, kwam ambtelijk vakmanschap verder onder druk te staan, en was er te weinig aandacht voor goede wetgeving en uitvoering.

Een nieuwe kant

Nogal wat politici en bestuurders zwommen aldus de ‘Fortuynfuik’ in: ze maakten het onbehagen onbedoeld erger. Daarom is het hoog tijd het onbehagendebat een nieuwe kant op te sturen.

Om te beginnen helpt het om het tamelijk diffuse begrip ‘maatschappelijk onbehagen’ hanteerbaarder te maken. Dat kan door drie onbehagen-niveaus te onderscheiden: zorgen over een persoonlijke situatie (bijvoorbeeld rond werk of gezondheid), zorgen over een collectieve situatie (denk aan de positie van migranten, plattelandsbewoners, lhbtq’ers en praktisch opgeleiden), en/of zorgen over de algemene toestand van het land.

In de tweede plaats – en daarmee zijn we terug bij de regionale aspecten van onbehagen – moet onderkend worden dat er tussen gebieden in Nederland ‘harde’ en toenemend problematische verschillen bestaan, die bepaalde perifere onlustgevoelens rechtvaardigen.

Deze geografische verschillen hangen samen met het feit dat de wereldwijde marktcompetitie zich in elk land afspeelt in de meest dynamische regio’s. Ook is al langer bekend dat bepaalde sociale groepen meer economisch en cultureel profijt hebben van open grenzen dan andere. Perifere gebieden in Nederland zijn als gevolg van globalisering naar verhouding economisch nog fragieler geworden. Tegelijk wonen er naar verhouding (steeds) meer inwoners die extra vatbaar zijn voor maatschappelijk onbehagen: ouderen, mensen met een praktische opleiding, een laag inkomen, en een minder goede gezondheid en levensverwachting.

Deze minder perspectiefrijke positie van zowel regio als inwoners levert een eerste verklaring op voor het feit dat maatschappelijk onbehagen zich in bepaalde gebieden concentreert.

Lees ook: Politici wilden luisteren, maar zagen alleen nog boze burgers

Perifeer onbehagen kan echter ook voortvloeien uit of worden versterkt door een specifieke regionale problematiek, bijvoorbeeld aardbevingen, bevolkingskrimp of een hoge mate van ondermijnende criminaliteit. Bovendien hebben veel inwoners van perifere streken, zoals gezegd, het gevoel dat hun problematiek, in vergelijking met andere gebieden en mensen in het land, niet of te weinig in beeld is bij de nationale politiek, het nationaal beleid en in de nationale media.

De vraag is nu wat de politieke reactie moet zijn op perifeer maatschappelijk onbehagen. Wij denken dat hoogwaardig openbaar bestuur het juiste antwoord is. Dit vraagt om een enthousiaste politieke en maatschappelijke herwaardering van constitutionele concepten die bij uitstek zijn toegesneden op de menselijke behoefte om mee te tellen, mee te praten, mee te kunnen doen en vertegenwoordigd te worden. Zoals pluralisme, de politieke gemeenschap, de rechtsstaat met zijn wetten, waarborgen, instituties en wetenschappelijke oriëntatie, de parlementaire democratie en het algemeen belang.

Het populistisch-pragmatische beleid leidde tot rechtsstatelijke en staatsrechtelijke verrommeling

Deze concepten vormen meer dan ooit het normatieve kader dat mensen in al hun verscheidenheid kan verbinden. Het populistisch-pragmatische beleid van de afgelopen decennia leidde echter tot zowel rechtsstatelijke als staatsrechtelijke verrommeling. Die had negatieve gevolgen voor alle burgers, maar met name voor inwoners van sociaaleconomisch broze gebieden en wijken. In het bijzonder de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wacht een belangrijke taak om hierin verandering te brengen.

Veelzijdige welvaart

Verder pleiten wij ervoor Nederland ook te zien als een ruimtelijke gemeenschap waarin ieder gebied wordt beschouwd als waardevol voor het geheel. In dit verband is het interessant dat het kabinet-Rutte III vanaf 2018 met de zogeheten Regio Deal-aanpak een vernieuwende stap heeft gezet naar een betere samenwerking tussen Rijk en (ook stedelijke) regio’s. Doel hiervan is om overal in het land expliciet werk te maken van ‘brede welvaart’: een opvatting van welvaart die ook onderwijs, milieu en leefomgeving, sociale cohesie, cultuur, veiligheid en duurzaamheid omvat.

In de volgende kabinetsperiode verdient deze aanpak wat ons betreft een vervolg. Maar de rest van het rijksbeleid moet dan wel óók die gedachte van veelzijdige welvaart ademen, in plaats van daar tegenin te druisen.

Daarom bepleiten wij een bijdetijds stelsel van generieke voorzieningen. Bibliotheken (met een ontmoetingsfunctie), duurzaam en betaalbaar openbaar vervoer, basale, laagdrempelige geestelijke gezondheidszorg, snel internet en bemenste loketten voor uitleg over overheidsregelingen moeten gaan behoren tot de vaste uitrusting van elke gemeente. Op diezelfde gemeentelijke inloopplekken kunnen burgers kennis opdoen over ons politiek-juridische systeem, over de relatie Nederland-Europa en over het (inter)nationale, provinciale en plaatselijke klimaatbeleid.

Kortom, informateur Johan Remkes, formerende partijen, overige politici en (decentrale) bestuurders: erken het bestaan van problematische geografische verschillen. Onderken de risico’s die hieruit voortvloeien en investeer daarom royaal in de institutionele en immateriële condities voor behaaglijk samenleven.