‘Er is bewust toegewerkt naar adoptie’, zegt afstandsmoeder die de staat aansprakelijk stelt

Afstandsmoeders In de jaren vijftig, zestig en zeventig stonden duizenden vrouwen hun baby af ter adoptie, niet zelden tegen hun wil. Voor het eerst is nu de staat hiervoor aansprakelijk gesteld.

Foto Stadsarchief Breda

Het leek zo’n veelbelovend jaar te worden, maar het zit de afstandsmoeders niet mee. In januari 2019 gaf demissionair minister Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD) opdracht tot een onderzoek naar de omstandigheden waaronder minstens 13.000 ongehuwde vrouwen tussen 1956 en 1984 afstand deden van hun kind. Dat gebeurde lang niet altijd vrijwillig, veel afstandsmoeders zeggen dat zij tot deze keuze werden gedwongen door familie, hulpverleners en maatschappelijk werkers.

Het onderzoek zou helderheid moeten geven over de rol van al deze verschillende partijen, maar het ligt vanwege grove fouten in de uitvoer al maanden stil. Er kwam een commissie die de gang van zaken rondom het onderzoek onderzocht, en het rapport daarover dat deze zomer verscheen was snoeihard. Procedures waren „niet oprecht, eerlijk en zorgvuldig” verlopen, er was „niet of onvoldoende sensitief, respectvol en fatsoenlijk” gecommuniceerd met belangengroepen, en „de overheid leek wederom te proberen om fouten te bagatelliseren of te verhullen”.

Lees ook: Natascha twijfelt al 57 jaar over wat er in haar jeugd is gebeurd

Trudy Scheele-Gertsen. Foto Bram Petraeus

Hoe het verder moet, is nog niet besloten. Mede daarom zijn alle ogen nu gericht op de rechtszaak van afstandsmoeder Trudy Scheele-Gertsen (75), die vrijdag begint. Misschien brengt deze zaak eindelijk de duidelijkheid en erkenning waar zo veel vrouwen al jaren op wachten.

Scheele-Gertsen hoopt dat haar rechtszaak ertoe leidt dat de waarheid boven tafel komt, zodat er een kloppende versie van de geschiedenis wordt opgetekend. „Ik maak het nog regelmatig mee dat mensen denken dat ongehuwde vrouwen in die tijd gewoon een keuze hadden als ze zwanger raakten, omdat er al genoeg mogelijkheden bestonden om als ongetrouwde vrouw je baby’tje zelf groot te brengen”, zegt ze. „Het probleem is echter dat je dat zelden werd verteld. Ik was 21 jaar toen ik onbedoeld zwanger raakte, en niemand heeft me ooit gezegd dat ik recht had op kinderbijslag, alimentatie van de biologische vader, of steun vanuit de bijstandswet.”

In plaats daarvan werd Scheele-Gertsen door onder meer haar ouders en de Raad voor de Kinderbescherming onder druk gezet om haar baby af te staan ter adoptie. Het belang van de bloedband en het recht dat ieder kind had om bij zijn eigen ouders op te groeien, werd na de invoering van de adoptiewet plotseling afgedaan als een achterhaald idee, zegt Scheele-Gertsen. „Er is bewust toegewerkt naar adoptie, dat lees je terug in mijn dossier”, zegt Scheele-Gertsen. „En dat terwijl ik mijn hele zwangerschap heb aangegeven dat ik mijn baby wilde houden. Ik had mijn opleiding tot verpleegkundige afgerond en ik was ervan overtuigd dat ik het alleen prima zou rooien.”

Kwetsbare groep vrouwen

Deze rechtszaak gaat over discriminatie van een destijds kwetsbare groep vrouwen, en de inbreuk die is gemaakt op hun rechten, zegt advocaat Lisa-Marie Komp, die Scheele-Gertsen vertegenwoordigt: „Men dacht het goede te doen, maar verloor daarbij totaal uit het oog wat deze vrouwen eigenlijk zelf wilden.”

In haar pleidooi wil de advocaat aantonen dat er door de staat onrechtmatig is gehandeld. „Zo werd er bijvoorbeeld rond de invoer van de adoptiewet in 1956 in de Eerste Kamer een parlementair debat gevoerd waarin letterlijk werd voorspeld dat ongehuwde moeders door de nieuwe wet onder grote druk zouden komen te staan om hun baby af te staan. Private instellingen voor ongehuwde moederzorg en overheidsinstanties, zoals de Raad voor de Kinderbescherming, moesten daarom ongehuwde moeders steunen zodat zij hun kind zelf zouden kunnen opvoeden. Dat is niet gebeurd. Sterker nog, er gebeurde precies waar men vooraf al voor waarschuwde: vrouwen werden onder druk gezet, en informatie over hoe zij zelfstandig voor hun kind konden zorgen werd veelal achtergehouden.”

Trudy Scheele-Gertsen is niet de enige die dit overkwam, daarom is vrouwenrechtenorganisatie Bureau Clara Wichmann namens alle andere vrouwen die onrechtmatig van hun kind zijn gescheiden mede-eiser in de rechtszaak. En dat is een grote groep, vertelt afstandsmoeder Will van Sebille van stichting De Nederlandse Afstandsmoeder. „Ik ken tientallen vrouwen met soortgelijke verhalen als Trudy, alleen durfde tot nu toe niemand de stap naar de rechter te maken. Procederen kost veel geld, maar het komt vooral ook doordat veel vrouwen nog steeds kampen met schaamte, schuld- en angstgevoelens. Terwijl iedereen inmiddels naar erkenning snakt. Er moet eindelijk eens door een onafhankelijke partij worden uitgesproken dat het niet onze schuld was, maar dat je als ongetrouwde zwangere binnen het systeem van toen amper kans had zelf te beslissen.”

Daarom is het volgens Van Sebille ook zo belangrijk dat Bureau Clara Wichmann hen vertegenwoordigt. Uit de verklaringen die het Bureau heeft afgenomen blijkt dat dit geen incidenten waren. „Het was een patroon.”

Lees hier een eerder interview met Trudy Scheele: ’Een jongen, zei de non, en toen werd hij weggehaald’

Baby’s ook slachtoffer

Dat patroon herkent ook Georgia Gradenwitz-Kemp (58). Ze was één van de baby’s die destijds werd afgestaan. Ze volgt de zaak op de voet, vertelt ze, net als veel andere inmiddels volwassen afstandskinderen. Deze zaak gaat net zo goed over hen, vindt Gradenwitz-Kemp. „Wij zijn het levende bewijs van wat er destijds gebeurd is.” Toen ze een half jaar oud was, werd Gradenwitz-Kemp door de Raad voor de Kinderbescherming bij haar moeder weggehaald en anderhalf jaar later in een adoptiegezin geplaatst. Volgens haar gebeurde dat omdat haar moeder geen goede moeder zou zijn, simpelweg omdat ze niet aan de norm voldeed. „Ze leefde gescheiden van mijn biologische vader en ze woonde in een slechte buurt. Uit mijn dossier blijkt hoe instanties, waaronder de Raad voor de Kinderbescherming, mijn moeder hebben gepusht om mij af te staan. Terwijl ik ook lees dat ik er volgens diezelfde instanties weldoorvoed uitzag en mijn moeder liefdevol met me omging.”

Gradenwitz-Kemp ziet een duidelijk patroon. „Nadat ik was weggehaald, belde mijn moeder een half jaar lang iedere dag naar het kindertehuis waar ik verbleef”, zegt ze. „Maar het leek niet uit te maken wat zij vond, er wachtten honderden adoptiegezinnen op een kind. Dáár ging het om.”

Of de rechter dat systeem en daarmee de aansprakelijkheid zal erkennen, is de vraag. De staat heeft laten weten zich in zijn verweer te zullen beroepen op verjaring. Maar hoewel dat juridisch gezien klopt, vindt advocaat Komp het verjaringsargument misplaatst. „Ik denk ook aan het falende overheidsonderzoek dat voor veel vrouwen ‘hertraumatiserend’ was. Het gaat hier om vrouwen op leeftijd, van wie een aantal deze geschiedenis een leven lang in het geheim heeft meegetorst. Nu durven ze er eindelijk over te praten en wordt het hun wederom moeilijk gemaakt.”

Komp hoopt daarom op een uitspraak die de vrouwen recht zal doen. De rechter kan een beroep op verjaring passeren. „Laten we zorgen dat dit alsnog het jaar van de afstandsmoeders wordt, door te focussen op de inhoud: er is onrechtmatig gehandeld. Als de overheid erkent wat er is misgegaan, zou dat wonden kunnen helen.”