Opinie

Demissionair kabinet dat met geld strooit, voelt ongemakkelijk

Prinsjesdag

Commentaar

Door corona is Prinsjesdag ook dit jaar anders dan anders, zonder rijtoer en balkonscène. Dit jaar is deze dag extra opmerkelijk: de Miljoenennota wordt gepresenteerd door een kabinet dat al acht maanden, sinds begin januari, demissionair is. De verkiezingen in maart boden geen electorale helderheid en sindsdien zit Den Haag vast in politiek niemandsland. Afgelopen weekend hielden Mark Rutte (VVD), Sigrid Kaag (D66) en Wopke Hoekstra (CDA) een informeel onderonsje op een landgoed, maar behalve nieuwe inzichten over mode en smaak – de casual kleding van de drie partijleiders zorgde voor de nodige opwinding - leverde dit weinig op.

Lees ook: Feestelijke Prinsjesdag verhult een uitgeholde politieke orde

Uit de vrijdag uitgelekte begrotingsstukken blijkt dat dit kabinet, hoewel formeel op weg naar de uitgang, nog lang niet is uitgeregeerd. Het komende begrotingsjaar gaan er miljarden naar de aanpak van de klimaatcrisis, het helpen van bedrijven bij de energietransitie en naar de bestrijding van zware criminaliteit. Verspreid over tien jaar wordt een miljard extra gestoken in de bouw van nieuwe woningen, tegen de woningnood. Het kabinet heeft oog voor de grote uitdagingen in Nederland. Over de manier waarop deze moeten worden geadresseerd, kunnen politieke partijen van mening verschillen, maar dat ze extra aandacht verdienen – daarover is brede consensus. Wat in de Miljoenennota staat klinkt, kortom, best logisch, en dus kan je zeggen: goed dat de coalitiepartners zich niet laten lamslaan door de slepende formatiegesprekken en de onderlinge spanningen, maar het land blijven regeren. Dit jaar is beleidsmatig min of meer al verloren en om te voorkomen dat dit ook gebeurt met 2022 moeten zaken nu al in gang worden gezet.

Toch voelt het ongemakkelijk: een demissionair kabinet dat zich missionair gedraagt en met geld strooit alsof het zojuist een ijzersterk mandaat vanuit de Kamer heeft ontvangen. Hoewel dit staatsrechtelijk kan – een demissionair kabinet mag beleid maken – staat het wel haaks op de traditie: op hun laatste benen plegen regeringen terughoudend te zijn met plannen. Je opvolgers voor de voeten lopen, doe je niet. Voor regerende coalitiepartijen kunnen kiezers ook ongenadig hard zijn – denk aan de PvdA in 2017 – en dus wordt het onkies gevonden om na zo’n afstraffing door te regeren alsof er niets is gebeurd.

Het is geen in beton gegoten traditie: na de nederlaag in 2017 maakte de PvdA tóch een halszaak van de verhoging van de lerarensalarissen. En van het huidige demissionaire kabinet zou je nog kunnen zeggen dat het recht van spreken heeft: de vier coalitiepartijen haalden in maart samen opnieuw een meerderheid. Deze situatie is echter onwenselijk. Een demissionair kabinet dat te lang doorregeert, kan ook de gedachte voeden dat stemmen ‘toch geen zin heeft’. Uit nieuw onderzoek van peilingbureau I&O blijkt dat het vertrouwen in de politiek weer is gedaald, na maanden van bestuurloosheid en geruzie.

Ook anders dan anders: woensdag en donderdag worden er Algemene Politieke Beschouwingen gehouden. Als een kabinet in demissionaire staat is, gebeurt dat doorgaans niet. Meestal volgt in dat soort situaties het inhoudelijke debat pas als regering en regeerakkoord rond zijn. Waarom de Kamer nu toch al dit debat wil, is onduidelijk: willen de Kamerleden makkelijk scoren met kritiek op de – inderdaad – moeizaam verlopende formatie? Of gaan ze inhoudelijk in debat met het kabinet over al die eerdergenoemde, grote uitdagingen? Het laatste is te hopen. Het vertrouwen in de politiek is al laag genoeg.