'Alleen tegen de staat' eindigt in totale mineur

Zap Regisseur Stijn Bouma laat in Alleen tegen de staat slachtoffers van het Toeslagenschandaal aan het woord. De verhalen over verwoeste levens vloeien samen tot een van de meest deprimerende uren televisie van de laatste jaren.

Badriah, Janet, Derya en Nazmiye in Alleen tegen de staat.
Badriah, Janet, Derya en Nazmiye in Alleen tegen de staat. Beeld BNNVARA

Ik weet niet of koning Willem-Alexander maandagavond naar NPO2 heeft gekeken, maar als dat zo is, kan hij dinsdag op Prinsjesdag maar één ding doen. „Leden der Staten-Generaal”, zal hij zeggen, „het is traditie dat ik u bij deze gelegenheid een tekst voorlees, maar er is iets belangrijkers tussen gekomen… Ja, Máxima, zet het scherm daar maar neer, goed in het midden zodat de eerste rij een mooi beeld heeft… We gaan het anders doen dan u van ons gewend bent. We gaan een film kijken. Want veel dringender dan de rede die ik voor u had voorbereid, is de documentaire Alleen tegen de staat die gisteren is uitgezonden.”

Lees ook dit interview met regisseur Stijn Bouma: Hoe gedupeerden van de Toeslagenaffaire in een hel van stress, vernedering, schaamte en depressie kwamen

Na afloop zal hij verklaren: „Dames en heren, u verlaat nu deze ruimte en gaat direct voor deze mensen en de 30.000 anderen aan de slag: bellen, regelen, u ziet maar, tot alles wat menselijkerwijs voor ze gedaan kan worden, voor ze gedaan is. Een klein groepje kan vanmiddag door naar Johan Remkes om een nieuwe regering te formeren. Gewoon doen wat meneer Remkes zegt, dan maken we morgen de bordesfoto. Zonder die paar onder u die nu gewoon naar huis kunnen – u weet het zelf wel als ik u bedoel.”

Dalend vertrouwen

Als de koning echt naar Alleen tegen de staat (BNNVARA) heeft gekeken, dan zag hij een van de meest deprimerende uren televisie van de laatste jaren. Vermoedelijk heeft hij dan even eerder in het NOS Journaal gehoord dat het vertrouwen in de Nederlandse politiek daalt als een lavastroom op weg naar de oceaan. De oorzaken waren, zo bleek uit onderzoek: de Toeslagenaffaire, de coronacrisis en de formatie. „In de politiek domineert de angst”, analyseerde Xander van der Wulp terecht. „Angst voor samenwerken, angst voor compromissen.”

Angst, houdt u die term even vast.

Want ook Alleen tegen de staat gaat over angst. Niet de angst voor een compromis, maar die voor een overheid die als een monster in je veilige huis alles kort en klein schopt en slaat. Regisseur Stijn Bouma liet vijf slachtoffers van het Toeslagenschandaal vertellen wat hen was overkomen. Deze Derya, Janet, Nazmiye, Badriah en Naoual vijf minuten horen vertellen is al hartverscheurend, maar de film duurt een uur – en er zijn nog tienduizenden mensen zoals zij.

Hun verhalen vloeien samen in een lange stroom ellende. Ze vertellen over de eerste brief, over de verbijstering toen bleek dat alles wat ze naar de Belastingdienst stuurden, daar zoek raakte. Over de twijfel en de schaamte: „Ik heb bijna twee jaar binnenshuis geleefd.” Over de paniek: „Mijn hoofd was te zwaar voor mijn lichaam.” Over het verlangen naar het einde: „Ik hoopte dat Allah het voor me zou oplossen.”

Totale mineur

Over de strandende huwelijken, de uithuisplaatsing van kinderen. Over het vermijden van spiegels. De vrouwen herkennen zichzelf niet meer: „Alles was vernedering. Alles is mij afgepakt: mijn schoonheid, mijn moederschap, alles valt uiteen.” Over hun woede: „Ik hoop dat ze allemaal de tering krijgen, ik haat ze echt allemaal. Ze kunnen doodvallen.” En daar schamen ze zich dan weer voor.

Het is een van de pijnlijkste aspecten aan deze monologen: dat deze vrouwen steeds weer uitkomen bij wat ze zelf verkeerd denken te hebben gedaan, vooral ten opzichte van hun kinderen: „Ik heb ze beschadigd door me af te sluiten. Ik denk dat ze het heel moeilijk gaan krijgen, ze hebben alles opgeslagen.” Een van de vrouwen laat zich ontvallen: „Ik heb hun jeugd afgepakt.”

Zo eindigt Alleen tegen de staat in totale mineur, met een vrouw, een onschuldige vrouw, die zegt: „Ik heb geen dromen meer voor mezelf. Ik hoop dat ik mijn kinderen kan redden.” Je zou er wat voor over hebben om te kunnen geloven dat ze overdrijft, dat ze niet bang hoeft te zijn.