De ongelukkige jeugd als goudmijn, ook in de film

NFF | Achtergrond | Autobiografische films Veel grote regisseurs maakten films over hun ongelukkige jeugd, van Vigo tot Fellini.

Federico Fellini zag fascisten als wat sneue mannen die waren blijven steken in hun adolescentie, wat hij gebruikte in zijn film ‘Amarcord’.
Federico Fellini zag fascisten als wat sneue mannen die waren blijven steken in hun adolescentie, wat hij gebruikte in zijn film ‘Amarcord’. Foto Getty Images

Antoinette Beumer, die met Mijn vader is een vliegtuig dit jaar het Nederlands Film Festival opent, noemt haar film persoonlijk maar niet strikt autobiografisch. Maar volgens de Italiaanse cineast Federico Fellini is alle kunst autobiografisch, waar hij aan toevoegde „de parel is de autobiografie van de oester”. Het adagium ‘een slechte jeugd is de goudmijn van een schrijver’ gaat ook op voor de cinema. Veel grote regisseurs maakten klassiekers over hun vaak ongelukkige jeugd. Grootste gemene deler daarbij is pijn die (alsnog) verwerkt moet worden. Zelfs een film als American Graffiti (1973) van George Lucas, die door velen wordt gezien als nostalgisch, gaat in wezen over het verlies van onschuld. Niet alleen van de tieners om wie de film draait, maar ook van een hele natie. Lucas situeerde zijn doorbraakfilm in 1962, het jaar voordat president John F. Kennedy werd vermoord en Amerika ruw ontwaakte. Het naschrift op de aftiteling meldt dat een van de personages is gesneuveld in Vietnam. Het maakt American Graffiti bitterzoet.

Een van de bekendste en beste autobiografische films is Truffauts debuut Les quatre cents coups (1959). Hierin rekende Truffaut middels zijn alter ego Antoine Doinel af met zijn moeilijke jeugd, waarin kille ouders allesbepalend waren. Truffaut wilde „adolescentie niet laten zien vanuit het gebruikelijke sentimenteel-nostalgische gezichtspunt, maar als de pijnlijke ervaring die het is”. In zijn schets van een liefdeloze jeugd zien we ook Antoines seksuele ontwaken en beginnende obsessie met cinema. Tekenend zijn de scènes waarin hij met een vriendje filmfoto’s uit een bioscoopvitrine steelt, of gebiologeerd toekijkt als zijn moeder haar kousen uittrekt. In Ingmar Bergmans Fanny en Alexander zien we iets soortgelijks. De tienjarige Alexander heeft een fascinatie voor het poppentheater, en later de toverlantaarn, en is ten prooi aan verwarrende gevoelens voor zijn mooie moeder, die tot groot verdriet van Alexander hertrouwt met een strenge, puriteinse bisschop. Bergmans afkeer van het streng gereformeerde milieu waarin hij opgroeide zit samengebald in zijn portret van deze hardvochtige man.

De rebelse natuur van Antoine Doinel, over wie Truffaut zijn hele leven films bleef maken, zien we ook in Zéro de conduite (1933) van Jean Vigo, een regisseur die Truffaut zeer bewonderde. Vigo baseerde zijn korte film op zijn eigen ervaringen in een streng jeugdinternaat. De vier hoofdpersonen, opstandige scholieren die zich verzetten tegen het autoritaire schoolsysteem, zijn terug te voeren op de jonge Vigo en zijn vriendjes. Het leidt tot een van de meest memorabele scènes van de film, een deels in slow-motion gefilmd anarchistisch kussengevecht in de slaapzaal van het internaat.

Een andere Franse regisseur die een sterke film maakte over een jeugdtrauma was Louis Malle. In Au revoir les enfants (1987) zitten drie joodse jongens tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergedoken in een internaat. Ze worden verraden en de jonge Louis Malle is getuige als ze door de Duitsers worden opgepakt en afgevoerd. Hij houdt een levenslang schuldgevoel aan over, want op het moment dat de SS het klasgebouw binnenvalt, kijkt hij per ongeluk naar een van zijn vriendjes en zet hen onbedoeld op het spoor van de jongens.

Het fascisme speelt ook een rol in een van Fellini’s autobiografische films, het prachtige Amarcord (1973) waarin, net als bij Bergman en Truffaut, de ontdekking van erotiek een belangrijke rol speelt. Amarcord speelt zich af in Fellini’s geboorteplaats Rimini, dat hij nabouwde in de Cinecittà-studio. Tijd van handeling zijn de jaren dertig onder Mussolini. Fellini zag de fascisten als wat sneue mannen die waren blijven steken in hun adolescentie. Een beetje zoals de nietsnutten uit Fellini’s andere autobiografische film, I Vitelloni (1953). Die film heeft een eindshot dat terugkeert in veel autobiografische films, van de hoofdpersoon die ontsnapt aan zijn benauwende omstandigheden en naar de stad trekt. Eindelijk bevrijd.