Opinie

Zelfregulering is iets om zuinig op te zijn, ook in de kunsthandel

Kunsthandel

Commentaar

De recente geschiedenis van de mislukte particuliere aankoop van het schilderij De Hooiers door Jan Altink, in NRC beschreven, leverde bijvangst op die heel wat minder kleurrijk is. Maar wel net zo bont als het schilderij zelf. Het laat zien dat zelfregulering met eigen codes, arbitrage-, klacht- en tuchtcommissies heel kwetsbaar is. Als tenminste de professional over wie wordt geklaagd juridisch all out gaat en met individuele aansprakelijkstellingen de lekenrechters van zijn erf weet te jagen.

De aangeklaagde kunsthandelaar vertelde „nat van het lachen” te zijn geraakt toen zijn intimidatie succes had. Die openhartigheid verdient een compliment, maar toont ook een houding die kopers zal afschrikken. En terecht. In de zaak zelf werd de handelaar beschuldigd van het gelijktijdig taxeren voor een derde én het vervolgens zelf bieden op hetzelfde kunstwerk. Een oneerlijke handelspraktijk die ook buiten de kunstwereld in één oogopslag als niet acceptabel geldt. De handelaar viel daarop een systeem van conflictbeslechting aan dat rust op beroepsethiek, solidariteit en een gedeeld sectorbelang, in een beroep dat niet wettelijk geregeld is en dat ook niet hoeft te zijn.

Doorgaans heeft degelijke zelfregulering als neveneffect dat de wetgever niet meer regelend hoeft op te treden. Een effect dat bijvoorbeeld journalisten pleegt te stimuleren de eigen Raad voor de Journalistiek, hoe graag die ook wordt bekritiseerd, steeds in ere te houden. De rol van de civiele rechter is aanvullend en kan dat ook blijven, juist als aanvulling, annex stok achter de deur. De rechter versterkt zo beroepsregels waar in ethiek een belangrijke rol mag vervullen, ook door die oordelen mee te wegen als het tóch tot een proces komt.

Juist voor de kunsthandel, waar bescherming nodig is tegen dubbelspel, herkomstfraude en prijsopdrijving, is zelfregulering iets om zuinig op te zijn. De aangeklaagde kunsthandelaar had dat duidelijk niet voor ogen. Zelfregulering is laagdrempelig, goedkoop en sneller dan een ‘echt’ juridisch proces. De kunsthandel die in een overspannen markt opereert, heeft bovendien een groot belang bij de bescherming van reputatie, deskundigheid en fair handelen.

Lees ook: ‘Hoezo dreigementen? Het was slechts een fair warning ’

Het is een stelsel dat in vele branches wordt toegepast, doorgaans met succes. Of dat zo blijft, is na deze kwestie de vraag. Met name tuchtcolleges zijn kwetsbaar die niet bij wet zijn geregeld en niet zijn (mede)gefinancierd door de overheid. En dus ook niet beschermd zijn tegen opportunistisch dreigen met beslag of met individuele aansprakelijkstelling van tuchtrechters, zoals in dit geval.

Het belang van een goed fungerend klachtstelsel blijkt ook uit de cijfers. Uit de vijfjaarlijkse Geschilbeslechtingsdelta 2019 van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie blijkt dat 57 procent van de bevolking in die periode een of meer juridische problemen ondervond. Daarin had de ‘aanschaf van producten en diensten’ met 30 procent veruit het grootste aandeel. Als er dan wordt geprocedeerd gebeurt dat in de meerderheid van álle geschillen (56,8 procent) ‘buitengerechtelijk’: onder meer bij tuchtcolleges. Gerechten nemen maar 43,2 procent van alle procedures voor hun rekening. De meeste rechtspraak gebeurt in dit land dus niet door rechters. Ook deze informele rechtsprekers verdienen bescherming.

Het is dus aan de wetgever om beschermend op te treden als het stelsel van met name de niet-wettelijk geregelde tuchtcolleges aan onoirbare druk uit de eigen markt dreigt te bezwijken.