Hoogleraar Media en digitale samenleving José van Dijck: „Het is goed te weten wat een alternatief sociaal netwerk kan zijn.”

Foto Hans Oostrum

Interview

'Facebook is in feite een onveilige omgeving'

Techprofessoren Hij is een bèta, zij een alfa. Samen willen hoogleraren Bart Jacobs en José van Dijck pionieren met ethische alternatieven voor Big Tech.

Gaat Nederland het voortouw nemen in de ontwikkeling van alternatieven voor Facebook en TikTok? Wetenschappers Bart Jacobs (Radboud Universiteit) en José van Dijck (Universiteit Utrecht) hebben ambities in die richting. Jacobs is een autoriteit op het gebied van cybersecurity en online identiteit, Van Dijck maakte naam met haar onderzoek naar de ethische en maatschappelijke aspecten van digitalisering.

Begin deze maand werd bekend dat het onderzoek van beide tech-professoren een extra financiële impuls krijgt: de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) bekroont het werk van Van Dijck met de Spinozapremie en dat van Jacobs met de Stevinpremie. In beide gevallen gaat het om een bedrag van 2,5 miljoen euro. Het geld is bestemd voor onderzoek, maar de hoogleraren willen een deel van het geld inzetten voor het ontwikkelen van een alternatief sociaal netwerk. Hoeveel geld ze er precies aan gaan besteden is nog onduidelijk, want ze moeten hun plannen eerst aan de NWO voorleggen.

Wel duidelijk is dat het nog te bouwen netwerk in de eerste plaats dient om te experimenteren met publieke in plaats van commerciële waarden in de digitale ruimte. Het moet een netwerk worden dat niet is gemaakt om geld te verdienen, waar de privacy van gebruikers niet op de tocht staat en waar gebruikers niet gemanipuleerd worden voor commerciële of politieke doelen. Verder moet het open source zijn: een sociaal netwerk waarbij je onder de motorkap kunt kijken, oftewel waarvan de achterliggende code voor iedereen toegankelijk is.

Privacyhoogleraar Bart Jacobs: „Hoe je de digitale wereld inricht is een politieke keuze.” Foto Hans Oostrum

Hoe is het idee om een nieuw sociaal netwerk op te richten ontstaan?

Jacobs: „Toen wij van elkaar zagen dat we de premies hadden gekregen, hebben we gebeld. En toen is het idee ontstaan van goh, kunnen we niet iets combineren?”

Van Dijck: „Wij hebben natuurlijk heel verschillende disciplines. Bart is echt een bouwer, een informaticus. Ik ben een media-onderzoeker, een geesteswetenschapper. Wel zitten wij allebei in de adviesraad van PublicSpaces, een stichting die gericht is op het ontwikkelen van een alternatief internet gebaseerd op publieke waarden zoals transparantie, democratische controle en bescherming van persoonsgegevens. We willen nu een deel van het geld gaan gebruiken om PublicSpaces te helpen bij het opzetten van een aantal projecten. Want de omroepen en culturele organisaties die bij PublicSpaces betrokken zijn, zoals de VPRO en de Koninklijke Bibliotheek, willen hun digitale omgeving inrichten op basis van publieke waarden. Zij worstelen met de vraag: hoe doen we dat als we zijn aangewezen op Facebook, Twitter of YouTube? Hoe doen we dat met alleen maar commerciële tools?”

Jacobs: „Laat ik een ander voorbeeld geven. Een school organiseert een schoolreisje waarvoor kinderen zich alleen via Facebook kunnen inschrijven. De ouders klagen, maar de school heeft geen alternatief. Daar wil ik wat aan doen.”

Passen uw plannen in het groeiende bewustzijn over de schaduwzijde van sociale media?

Van Dijck: „Absoluut. Zelfs vijf jaar geleden merkte ik nog dat dit verhaal weinig weerklank vond. Nu wel. De laatste jaren wordt steeds evidenter dat het verdienmodel van platforms als Facebook, waarbij het verkopen van gebruikersdata voor gepersonaliseerde advertenties centraal staat, niet strookt met de belangen van de gebruikers. Ook zien we steeds duidelijker hoe moeilijk het is de verspreiding van misinformatie via zo’n mondiaal platform te beteugelen.”

Jacobs: „Veel mensen weten inmiddels wel dat het onverstandig is op Facebook zowel je adres te vermelden als wanneer je op vakantie gaat, vanwege het gevaar op inbraak. Daar zie je al meteen een groot deel van het probleem. Ik vind dat je Facebook geen ‘sociaal netwerk’ kunt noemen. Het is in feite een onveilige omgeving.”

Facebook is in feite een onveilige omgeving

Van Dijck: „Bart richt zich vooral op de technische kant, terwijl mijn onderzoek gaat over de waarden die we in zo’n netwerk willen verankeren. In Europa zijn publieke waarden, net als publieke sectoren, belangrijker dan in Amerikaanse of Chinese systemen. Maar de technologie die we in Europa gebruiken komt vooral uit de VS of China. Daarom is het belangrijk dat we kijken hoe we onze waarden kunnen beschermen en de digitale samenleving op basis daarvan kunnen sturen.”

Uw alternatieve netwerk lijkt een druppel op een gloeiende plaat, nu Facebook wereldwijd bijna 3 miljard gebruikers heeft. Kunnen we ons in Europa niet beter concentreren op wetgeving?

Van Dijck: „Natuurlijk is regulering van Big Tech een manier om waarden te beschermen. Maar het is ook goed te weten wat een alternatief kan zijn. Daarom is het van belang iets te bouwen. Met zo’n prototype kun je laten zien hoe je publieke waarden in het design kunt inbouwen en welke principes overheden in de regulering van Big Tech zouden kunnen hanteren. Dat is de cirkel die wij willen bereiken: een wisselwerking tussen bewustwording, wetgeving en ontwikkeling. Als je geen alternatief te bieden hebt, hoe klein ook, heb je weinig grond om met techbedrijven te onderhandelen over de spelregels van de digitale omgeving.”

Jacobs: „Je moet ergens beginnen. Ik heb in het verleden veel gedaan op het gebied van digitale identiteit. Met collega’s heb ik een app ontwikkeld, IRMA, voor privacy-vriendelijk inloggen. Het principe van IRMA is dat je alleen die aspecten van je identiteit prijsgeeft die op dat moment nodig zijn, zodat je eigenaar blijft van je digitale identiteit. Dus bij een videogame dat je achttienplus bent, en op een andere plek weer een ander aspect van je digitale identiteit. Nooit méér dan op die plek relevant is.”

Lees ook deze column: Valt Big Tech nog in te halen?

Van Dijck: „Met Bart heb ik een artikel geschreven over IRMA en uitgelegd welke principes IRMA tot een publiek alternatief maken: het is non-profit, open source, en de controle over welke informatie je onthult ligt bij de burger. Het interessante is nu dat de EU die principes gaat overnemen. Men begint steeds meer te zien hoe we publieke alternatieven mogelijk kunnen maken.”

Jacobs: „Wat ik zag bij IRMA is dat het bij veel politici en beleidsmakers als een eye-opener functioneerde. Want hoe werkt het? De commerciële sector zet een bepaald model neer, zoals digitaal inloggen via Facebook. Zo ziet Facebook altijd wie waar inlogt en worden we tot in detail digitaal getraceerd. Voor politici is dat de werkelijkheid, totdat ze zien dat er een concreet alternatief mogelijk is. Dan, denken ze: oh, misschien is er wel een keuze! Nou, zo’n doel hebben we ook met dit sociale netwerk. Laten zien dat het een politieke keuze is hoe je de digitale wereld inricht.”

Wanneer gaat het nieuwe netwerk het levenslicht zien?

Jacobs: „Nou, dat duurt nog wel een jaar.”

Van Dijck: „Dat is optimistisch, Bart!”

Jacobs: „Ik heb het dan over de eerste opzet: dan ga je met beperkte functionaliteit beginnen en proberen gebruikerservaring op te doen.”

En wie gaat het netwerk runnen, als het klaar is?

Jacobs: „Dat is niet de taak van een universiteit. Misschien wel om een sociaal netwerk uit te denken, maar niet om het operationeel te runnen. Dus daarvoor zijn we van plan met andere partijen samen te werken, mits ze onze waarden onderschrijven. Vervolgens kan het netwerk kleinschalig gebruikt worden door scholen, universiteiten, verenigingen. Ze zouden allemaal hun eigen versie kunnen krijgen. Iedere community, ieder gezin kan zo een eigen online community opzetten, net zoals je nu app-groepen op WhatsApp hebt.”

Kan zo’n klein land als Nederland een voortrekkersrol spelen in de strijd tegen de almacht van Big Tech?

Jacobs: „Nederland is in hoge mate gedigitaliseerd en wordt dikwijls als proeftuin gebruikt door internationale bedrijven, ook omdat we relatief beperkt in omvang zijn. Ons land is dus een goede omgeving om dingen te lanceren. Andersom is het ook zo: als hier iets van de grond komt, wordt daarnaar gekeken. Ieder land worstelt met een probleem als digitale identiteit, dus als een land met een goede oplossing komt, wordt dat gezien.”