Uniformmaker voor koning, keizer en schutterij

Janfré Het ambacht van Janfré voert terug tot de achttiende-eeuwse slagvelden. En nog steeds is er vraag naar historisch verantwoorde uniformen, tressen, kepi’s en sjako’s. Ook van de ‘PVO’.

Impressies van Janfré: duurzame stoffen, versieringen in gouddraad, tressen en epauletten.
Impressies van Janfré: duurzame stoffen, versieringen in gouddraad, tressen en epauletten.

De kenners gaat het opvallen, zíj kunnen een uniform lezen. Die letten op de herkenningstekens. De leek zal het niet zien, zelfs niet tijdens Prinsjesdag nu er veel minder pracht en praal is vanwege de coronapandemie.

Vijf regimenten die op de derde dinsdag van september de erewacht vormen, zijn samengegaan in twee nieuwe. Dat vraagt om nieuwe soutaches. Zo heten de gevlochten koorden op de opstaande kragen van de uniformjasjes. Lichtblauw en lichtgrijs zijn de nieuwe kleuren. Bij Janfré Uniformen in Meerssen hadden ze er de afgelopen maanden een mooie opdracht aan.

Defensie was in coronatijd sowieso belangrijker dan anders, zegt directeur Eddy Lamberigts. De ceremoniële uniformen die ze liet maken, vormden het leeuwendeel van de bestellingen. „Normaal zijn dat de verenigingen: harmonieën, fanfares, showbands en schutterijen. Maar die hebben de afgelopen anderhalf jaar niet of nauwelijks activiteiten gehad. Ze zijn daarom ook terughoudend met de aanschaf van nieuwe pakken.”

Ambachtelijk

Janfré opereerde tot eind vorig jaar vanuit een pand in de binnenstad van Maastricht en is nu verhuisd naar een bedrijventerrein onder de rook van Meerssen. „Een moderner pand, meer licht, geen trappen en dus minder gesjouw”, legt Lamberigts uit.

Maar onder het systeemplafond van het nieuwe, gehuurde onderkomen is volop geschiedenis te vinden. De coupeuses werken ouderwets ambachtelijk. De oudste apparatuur, een knopenaanzetmachine, gaat al zeventig jaar mee. „Bij een mankement eraan moet een reparateur soms lang zoeken, maar daarna kan het weer een hele tijd mee.”

De uniformen en hoofddeksels die Janfré maakt, echoën de slagvelden van de achttiende en negentiende eeuw. Hier draait het om epauletten, tressen, sabelriemen, sjako’s en kepi’s. Janfré maakt zelfs steken zoals ook Napoleon Bonaparte ze droeg. „Leden van schutterijen die in vijf jaar tijd drie keer de vogel afschieten, mogen zich keizer noemen. Die laten zich dan ook bijpassende uniformen en hoofddeksels aanmeten.”

Janfré is een klein bedrijf. „In normale jaren draaien we een omzet van drieënhalf, vier ton. We geven met z’n tweeën leiding. Daaronder zijn vier medewerkers actief. Ze hebben allemaal hun eigen specialiteiten. Wie hier langer werkt, wordt vaak ook wat meer allround. Dat moet ook wel met zo’n klein personeelsbestand.”

De geschiedenis van Janfré gaat ruim honderd jaar terug. Maastricht was destijds nog een echte garnizoensstad. Pa Janssen begon er in 1919 als kleermaker voor militaire officieren. De specialisatie in uniformen bracht haast vanzelf ook andere klanten naar de zaak: schutterijen en muziekgezelschappen.

Janssens zoon Wim zette de onderneming later met zijn vrouw Trees voort. Haar meisjesnaam Frencken bezorgde het bedrijf zijn naam. Janfré klonk ook nog eens chic.

Dochter Peggy vormde met haar man Eddy Lamberigts de derde generatie. De liefde hield geen stand, hun zakelijk verbond wel. Ze werken nog altijd samen.

Aangeklede etalagepoppen

Lamberigts komt oorspronkelijk uit een heel andere wereld. „Ik was automonteur. Bij Janfré begon ik als pettenmaker en ben ik doorgegroeid naar de kantoorkant. Maar het technische heeft nog steeds mijn belangstelling. Hoe je een bepaalde pluim goed rechtop kan laten staan op een hoofddeksel, is een vraag die me nog steeds uit de slaap kan houden.”

Af en toe melden zich bij Janfré particulieren met bijzondere wensen. Lamberigts: „We hebben hier een verzamelaar van marechaussee-uniformen gehad. Die man had zijn hele huis, tot aan de woonkamer toe, vol staan met aangeklede etalagepoppen. Hij miste nog het uniform van een marechaussee-generaal. Dat is natuurlijk lastig te krijgen. Toen hebben wij het voor hem gemaakt.”

Janfré tekende ook voor een bijzondere bestelling van voormalig CDA-gedeputeerde Ger Koopmans. Die combineerde het provinciebestuur met het presidentschap van de Oud-Limburgse Schuttersfederatie (OLS). Voor bijzondere gelegenheden wilde hij zich kunnen hullen in het ambtskostuum van een negentiende-eeuws Tweede Kamerlid. Op Koopmans’ verzoek werd aan het historische voorbeeld iets eigens toegevoegd: een Limburgse leeuw van gouddraad.

Prinselijk uniform

Re-enactment, naspelen van historische gebeurtenissen, is een relatief nieuwe markt, en voor Janfré nog niet heel groot. „De liefhebbers daarvan willen in het algemeen ook minder besteden dan verenigingen”, is de ervaring van de directeur.

Op een zeker moment kreeg Janfré de vraag of het bedrijf voor „de PVO” wilde werken. „Ik dacht: een nieuw regiment. Dat willen we wel”, vertelt Lamberigts. „Maar die letters bleken te staan voor de Prins van Oranje. We hebben toen zeven uniformen en avondtenues mogen maken voor Willem-Alexander. Ook een uniform voor zijn kroning, maar uiteindelijk koos hij voor die gelegenheid een rokkostuum.”

Mode speelt bij uniformen slechts een beperkte rol. „De pijpen van broeken zijn wel wat minder wijd geworden. Vooral de jongere leden van verenigingen hebben ze liever wat smaller.”

In opdracht van jeansmerk G-Star maakte Janfré uniformjasjes van spijkerstof, die in winkels als decoratie en promotiemateriaal dienden. „We hebben er ook nog een gemaakt voor zanger Pharell Williams. Die was er helemaal weg van. Maar onze klanten kopen het vooralsnog niet. Terwijl een goede kwaliteit denim hartstikke sterk is en ook nog eens goed oogt. Als bestuurders van verenigingen het zien, zijn ze positief verrast. Maar uiteindelijk kiezen ze toch voor meer traditionele stoffen.”

Sterk en slijtvast blijven de belangrijkste vereisten. „Klanten willen minstens tien, vijftien jaar met uniformen vooruit kunnen.” Comfort telt evengoed, maar tot op zekere hoogte. „Een uniform met stretch maken is ondenkbaar.”

De gevraagde duurzaamheid en kreukvastheid van stoffen betekent dat het soms flink transpireren is. Bij oplopende zomertemperaturen werd menig schuttersfeest de afgelopen jaren onder tropische omstandigheden gehouden. „Gelukkig zijn er de speciale T-shirts die extra zweet opnemen. Sporters gebruiken ze ook.”

Janfré heeft wel eens geprobeerd de productie onder te brengen in Oost-Europese landen, waar arbeid een stuk minder kost. Een succes werd dat niet. „De kwaliteit liet bijna altijd te wensen over. Het voldeed niet aan de standaard die wij willen aanhouden. Vervoer is bovendien een flinke kostenpost. Gewone kleding laat zich vouwen en met heel veel stuks in een doos stoppen. Met stijve uniformen gaat dat gewoon niet.”

Klanten vragen bovendien om onderhoud. Als Lamberigts voorgaat in een rondleiding door het bedrijf, meldt een collega zich. Een marketentster – proviandverzorgster van een schutterij – heeft een gaatje in haar uitrusting. Of ze langs kan komen. Lamberigts zegt dat het oké is. „Jeugdleden van verenigingen zijn ook voortdurend in de groei. Er zijn er die net voor corona uniformen hebben laten aanmeten. Die passen nu niet meer. Met wisselen kom je dan een heel eind, maar er moet ook worden vermaakt.”

Lamberigts vraagt zich hardop af hoeveel toekomst een ouderwets ambachtelijk bedrijf als Janfré heeft in Nederland. „Wij hebben nog geen opvolgers. Wie pakt dit na ons nog op?”