Opinie

En dan nu: een assertief parlement

Prinsjesdag De huidige politieke impasse is het gevolg van verbestuurlijking die de politiek versplinterde en het parlement marginaliseerde. Maar de Tweede Kamer kan het tij keren, meent .
Illustratie Hajo

Het afgelopen parlementaire jaar, was een annus horribilis: een verschrikkelijk jaar. Midden in de coronacrisis, struikelden we van het ene politieke incident naar de andere affaire. De Toeslagenaffaire – die eigenlijk ook over de bestuurlijke cultuur ging – leidde tot de ontslagaanvraag van het kabinet-Rutte III.

Net na de Tweede Kamerverkiezingen overleefde demissionair premier Mark Rutte (VVD) ternauwernood een motie van afkeuring, nadat de formatienotitie van minister Kajsa Ollongren (D66) met het zinnetje „postitie Omtzigt, functie elders” op straat kwam te liggen. Dat zette de verhoudingen op scherp en voedde het onderlinge wantrouwen tussen Tweede Kamer en kabinet, maar ook tussen de hoofdrolspelers binnen het kabinet en tussen de politiek en samenleving. Dat bracht een negatieve spiraal van gedoe op gang.

Openbaar gemaakte ministerraadnotulen, formatie in het slop en corona-aanpak die al maar lastiger werd (avondklok, versoepelingen, de coronapas, etc.), nieuw benoemde staatssecretarissen die – in weerwil van de bedoeling van de Grondwet en de letter van de Kieswet – hun Kamerzetel aanhielden, lobbyregels die niet werden nageleefd, een demissionair kabinet dat een zowat ‘missionaire’ begroting in elkaar steekt, en dan vorige week nog twee vertrekkende ministers vanwege een motie van afkeuring over het Afghanistan(evacuatie)beleid.

In de touwen

Een jaar om snel te vergeten: alleen al dit jaar traden zeven bewindspersonen af, van de elf in totaal die Rutte III verlieten (een record). De meerderheid daarvan stapte niet op om politieke redenen, maar vanwege gezondheidsklachten of de behoefte aan een ‘functie elders’. Het demissionaire kabinet-Rutte III, zoveel is zeker, hangt in de touwen en er lijkt ook iets grondig mis met ons politiek-bestuurlijke klimaat. Na zes maanden formeren, is er een weekendje op een landgoed nagedacht over een minderheidskabinet, nadat inhoudelijk goed denkbare meerderheidscombinaties werden weggestreept. Het gevolg van de slechte ‘chemie’ tussen de hoofdrolspelers in de Tweede Kamer en de aanhoudende politieke schermutselingen.

Lees ook: De crisis van het politieke midden

Hoe komt het dat onze kalme politieke consensuscultuur ineens vast lijkt te lopen en de verhoudingen zo op scherp staan? En wat is de prijs? Er zijn oppervlakkige, psychologiserende verklaringen die de oorzaken zoeken in de karakters van de hoofdrolspelers en onverantwoordelijke opstelling en scoringsdrift van parlementariërs. Maar die zijn niet steekhoudend. Ik wil wijzen op twee diepere oorzaken die ook de sleutel tot de oplossing kunnen brengen.

Een eerste, diepere oorzaak van de huidige politieke crisis, ligt in ons kiesstelsel. Dat stelsel gaat uit van radicale evenredige vertegenwoordiging. Geen drempels, geen districten; een kiessysteem dat goed past bij Nederland, vanouds een land van minderheden. Vanaf 1918 worden de verkiezingskandidaten voornamelijk voortgebracht door politieke partijen. Omdat die tot voor kort als volksbewegingen ook een goede worteling in de samenleving hadden, maakten ze een vertaling van wat er bij de achterban leefde naar een politieke agenda: dat waren de verkiezingsprogramma’s. Vaak verliep die politieke partijvorming via lijnen van grote ideologieën als socialisme, liberalisme of christen-democratie, maar lang niet altijd.

Voor het goed functioneren van onze partijendemocratie zijn ideologieën of ‘redelijke’ en grote middenpartijen geen voorwaarde. Maar worteling ofwel ‘weten wat leeft’, vertaling van kiezerswensen in een politieke agenda en het vermogen en de wil die agenda om te zetten in beleid en bestuurders leveren, zijn wel voorwaarden voor het goed functioneren van de partijdemocratie.

De Kamer is voor kiezers als nationaal politiek forum onherkenbaar geworden

Juist daar gaat het momenteel mis. Veel traditionele (midden-)partijen, lopen leeg of slagen er niet in zich op min of meer permanente basis goed te verstaan met hun kiezers. De schuld daarvoor wordt wel bij die verwende, winkelende kiezers gelegd. Door de oververhitting van het politieke debat zouden die kiezers het partijen onmogelijk maken om tot een consistente agenda te komen. Partijen die de schuld van eigen achteruitgang leggen bij kiezers moeten eens goed bij zichzelf te rade gaan. Hebben zij het teken aan de wand begrepen?

Ook de klacht over versplintering (negentien fracties in de Tweede Kamer waarvan vier ‘éénpitters’) zegt iets over het onvermogen van partijen om te vertalen wat bij kiezers leeft.

Vijftigjaarlijkse cyclus

Versplintering treedt in Nederland altijd op in tijden van grote verschuivingen binnen de samenleving en van politieke heroriëntaties. Dat was zo in de jaren twintig en dertig, eind jaren zestig en begin jaren zeventig en doet zich ook nu weer voor: een vijftigjaarlijkse cyclus waarin het politieke landschap eerst wordt uiteengetrokken, alvorens weer terug te clusteren in nieuwe verbanden.

Zo’n langjarig perspectief helpt te zien wat er nu gaande is: middenpartijen lijken met hun programma’s vooral antwoord te geven op de problemen van gisteren. Dat wil zeggen via inkomens- en vrije marktcorrecties komen tot een samenleving met eerlijke kansen en een goede leefomgeving. De vragen van morgen blijven onbeantwoord: de wereld waarin kansenongelijkheid vooral wordt veroorzaakt door opleidings-, status- en vermogensverschillen en de manier waarop de markt zelf ingrijpt op onze leefomgeving.

De uitdagingen van de toekomst liggen bij een anders opgezette (energie-)markt en leefomgeving. Bij een inkomenspolitiek die kijkt naar generatie-effecten en een agenda die zich afvraagt hoe om te gaan met de (culturele) afstand die ontstaat tussen praktisch en theoretisch opgeleiden. En met name wat die afstand betekent voor kansengelijkheid van mensen.

Onze diplomademocratie is snel en ongezien aan het verworden tot wat de Amerikaanse filosoof Michael Sandel ‘The Tyranny of Merit’ noemt, de tirannie van de eigen verdienste. Een situatie waarin theoretisch opgeleiden vooral voor eerlijke kansen binnen hun eigen groep zorgen.

Versplintering is dus geen zelfstandig probleem, maar vooral een signaal dat niet goed wordt begrepen, getuige ook de gelijkvormigheid van de programma’s van de middenpartijen.

Er waren bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen veel partijen om uít te kiezen, maar weinig om tússen te kiezen. Echte grote verschuivingen traden dan ook niet op. Willen we dit tij keren dan moeten partijen veranderen en komen tot nieuwe clusters. Daarbij kan een iets andere opzet van het kiesrecht helpen.

De voorstellen van de commissie-Remkes, om het personele en regionale element in het kiesstelsel te versterken, om een correctief bindend referendum in te voeren en een gekozen formateur, kunnen de voortdurende politieke impasse doorbreken. Ook een formatiewet verdient serieuze overweging. Zo’n wet reguleert en faseert het formatieproces met termijnen waarbinnen een kabinet moet zijn geformeerd. Wordt de termijn overschreden dan volgen automatisch nieuwe verkiezingen. Zo’n wet houdt opwaartse druk op een formatie. Alleen al dertien democratieën binnen de EU kennen zo’n soort systeem.

Lux et Libertas Lees ook: Politieke partijen moeten het landsbelang weer voorop gaan stellen

Een tweede dieper liggende oorzaak voor de gedestabiliseerde verhoudingen vloeit voort uit onze bestuurlijke cultuur. Bestuurders genieten in Nederland veel gezag. Dat is al eeuwen zo. Om vooruit te kunnen met de agenda loont het voor bestuurders zaken zoveel mogelijk te depolitiseren en waar mogelijk keuzes in de richting van experts en andere niet politieke actoren te duwen. Dat zorgt er wel voor dat veel bestuur en beleid ontglipt aan de greep van de kiezers en hun vertegenwoordigers. Polderen met belangengroepen, spreadsheet- en akkoordenpolitiek, en heel veel uitbesteding van politieke kwesties aan uitvoeringsorganisaties of commissies leidt tot democratische tekorten.

Nieuwe regentencultuur

In die verbestuurlijking zijn vooral de kabinetten-Rutte doorgeschoten. Door te weinig tegenspraak en tegenwicht is een gedeeld geloof ontstaan dat een land ook als een bedrijf moet worden bestuurd. Die nieuwe regentencultuur heeft de Tweede Kamer gemarginaliseerd: de volksvertegenwoordiging praat tegenover een steeds machtiger en minder mededeelzaam bestuur steeds minder mee over de kern van de politieke agenda. Daardoor wordt de Kamer voor kiezers onherkenbaar als nationaal politiek forum, worden verkiezingen zelf steeds meer leiderschapsverkiezingen.

En, belangrijk, door die marginalisering van de gekozen volksvertegenwoordiging worden de mogelijkheden tot meebeslissen en het organiseren van tegenmacht almaar verder uitgehold. Reken daarbij de veel te losse omgang van het kabinet met de politieke spelregels en de onwil en het onvermogen om informatie met Kamer en burgers te willen delen, dan telt dat op tot een situatie waarin het bestuur onherkenbaar wordt.

De staat is een dienstverlenend bedrijf geworden met burgers als klant. En dus niet het bestuur waar het in een democratie vooral ook om draait: een government of the people, by the people, for the people (van het volk, door het volk en voor het volk) zoals Abraham Lincoln het noemde in zijn befaamde Gettysburg Address (1863).

De nieuwe assertiviteit die de Tweede Kamer de afgelopen maanden toont, helpt zeker om deze trend te keren. Het is nodig dat de beide Kamers hun verloren positie hernemen en, als Staten Generaal samen tegenmacht gestalte geven. Dat besef lijkt doorgedrongen.

En verder is de situatie hopeloos, maar niet ernstig. Nederland kende vaker in zijn democratische geschiedenis momenten van politieke instabiliteit. Meestal lag de oorzaak ervan in een moeizame leiderschapswisseling. De oplossing was vaak: een nieuwe minister-president.