Aan de flanken radicaliseert een deel van de kiezers

Kiezersonderzoek Het vertrouwen van burgers in de politiek holt achteruit, blijkt uit onderzoek dat I&O research uitvoerde in opdracht van NRC. Een deel van de kiezers weekt zich los van de overheid. „Er is echte haat, dat is nieuw.”

De afgelopen drie maanden is onder kiezers de waardering voor politici en instituties hard achteruit gegaan.
De afgelopen drie maanden is onder kiezers de waardering voor politici en instituties hard achteruit gegaan. Foto Bart Maat/ANP

Politici vragen van alles van burgers. Ze moeten zich laten vaccineren tegen het coronavirus. Ze moeten meedoen aan de energietransitie en hun woning van het gas halen of elektrisch gaan rijden. Ze moeten zich netjes gedragen. Ook deze Prinsjesdag zullen in de Troonrede en de kabinetsplannen de welwillende burgers centraal staan.

Daarbij, zegt onderzoeker Peter Kanne van I&O Research, gaan politiek en bestuur volledig uit van „de macht van de meerderheid”. „De meeste mensen doen toch wel mee, denken bestuurders, en in de rest leven ze zich niet in. Maar hun beleidskeuzes stralen uit dat ze geloven dat de burger een enorm vertrouwen in de politiek heeft. En dat is steeds meer ten onrechte.”

Zeker de afgelopen drie maanden is het hard gegaan, zegt Kanne. De publieke waardering voor politici en instituties holt achteruit. Het vertrouwen in het demissionaire kabinet-Rutte III is terug op het niveau van vóór de coronacrisis – tijdens die crisis werd het kabinet zeldzaam populair door het zogeheten rally around the flag-effect. Nu is meer dan de helft van de ondervraagden, 52 procent, niet (meer) tevreden over het kabinet. Ook het vertrouwen in ministers (32 procent), Tweede Kamer (36 procent) en overheid (42 procent) is hard achteruitgegaan. Dat blijkt uit een dinsdag gepubliceerd onderzoek van I&O Research in opdracht van NRC onder 1.100 burgers.

De data uit het onderzoek, zegt Peter Kanne, vertellen nóg een verhaal. De groep burgers die helemaal geen vertrouwen meer heeft in instituties, zo’n 15 procent, radicaliseert. „Mensen haken af. Er is echte haat, en dat is nieuw. Een grote groep kiezers, vooral bij partijen als FVD, PVV, JA21 en de BoerBurgerBeweging, raakt steeds meer losgeweekt van de overheid.”

Kiezers van CDA, VVD, D66, Volt en PvdA hebben nog altijd in meerderheid vertrouwen in de overheid, en het onderzoek laat zien dat dit vertrouwen nauwelijks afneemt. Maar bij kiezers van FVD (8 procent), PVV (11 procent), BBB (19 procent), JA21 (25 procent) en de SGP (18 procent) is het vertrouwen extreem laag.

Niet alleen politieke voorkeur, ook opleidingsniveau is een bepalende factor. Zo’n 15 procent van de ondervraagden is alle vertrouwen in de overheid kwijtgeraakt. Onder laagopgeleiden is dat 20 procent (het was een half jaar geleden 13 procent).

Kanne: „Deze kiezers zien de gevolgen van de Toeslagenaffaire of de gasboringen in Groningen en denken: de overheid is er niet meer voor ons. Het kabinet is zich gaan richten op de meerderheid, de rest mag het uitzoeken. Dat zie je bijvoorbeeld in de manier waarop Hugo de Jonge [Volksgezondheid, CDA] over ongevaccineerden praat.” Minister De Jonge had gezegd dat hij er „met mijn verstand niet bij kan” dat mensen zich niet laten vaccineren.

Kanne maakt zich zorgen over de vraag „hoe de onvrede gekanaliseerd kan worden”, zegt hij. „Het hoort bij een gezond politiek systeem dat mensen ontevreden raken over een kabinet. Dan stemmen ze op andere partijen, die daarna een nieuw kabinet kunnen vormen. Er zijn veel partijen aan de flanken ontstaan, vooral op rechts maar ook op links, die aantrekkelijk zijn voor afgehaakte kiezers.”

Maar die partijen, zegt Kanne, doen niet mee in de formatie: ze zijn te radicaal voor het politieke midden. Daar komt bij: het midden implodeert en kan geen ‘brugfunctie’ meer vervullen tussen de flanken. Zo moet een verzwakt midden alle politieke verantwoordelijkheid dragen, en speelt de afgehaakte kiezer daar geen rol in.

Lees ook: De crisis van het politieke midden

De niet-leverende overheid

De burger, zegt mede-oprichter Albert Jan Kruiter van het Instituut voor Publieke Waarden, heeft op dit moment last van twee politiek-bestuurlijke problemen tegelijk. „De democratische ervaring is niet goed: de formatie loopt niet, het kabinet is besluiteloos. Er treden bewindslieden af, het parlement is versnipperd in negentien fracties. Maar ook de bureaucratische ervaring is onprettig: de overheid levert op dit moment niet. Mensen staan op een wachtlijst voor een zorgbehandeling, een huurwoning of een plek in de GGZ.”

De formatie zorgt volgens Kruiter voor afnemend vertrouwen in politiek, hij noemt ook „de afkatcultuur in de Tweede Kamer”. „Politiek is een vertolker van onvrede geworden, waarbij de ene politicus de ander uitscheldt. Dat beschadigt het hele vertrouwen in politiek. Want een gesprek over bijvoorbeeld de wooncrisis komt niet tot stand.”

Het vertrouwen van kiezers in politieke leiders is de afgelopen drie maanden snel afgenomen. Pieter Omtzigt, het Kamerlid dat vertrok bij het CDA, is met een 7 de best gewaardeerde politicus. Alleen Laurens Dassen (Volt, 6), Gert-Jan Segers (ChristenUnie, 5,7), demissionair premier Mark Rutte (VVD, 5,6) en Lilian Marijnissen (SP, 5,5) halen verder een voldoende.

Als je bedenkt hoe het vertrouwen van burgers in de politiek afneemt, valt op hoe kiezers Rutte zien – al bijna elf jaar premier, en hét gezicht van politiek en bestuurlijk Nederland. De waardering voor hem neemt iets af, maar blijft redelijk stabiel. En zijn imago als betrouwbare premier verbetert zelfs. In juni zag 39 procent hem als een betrouwbare minister-president, nu is dat 45 procent.

ChristenUnie-leider Gert-Jan Segers, die in het I&O-onderzoek na Rutte het beste scoort als ‘betrouwbare premier’ (volgens 36 procent van de ondervraagden), kan de grafiek en de percentages zelfs op zijn kop lezen – vanaf het printje op tafel in zijn werkkamer. „Ik zie”, zegt hij, „dat ik een dipje had in het voorjaar.”

Dat Rutte bovenaan staat, komt volgens Segers omdat er „geen alternatief” is. „Hij loopt het langst mee en als iemand in staat is om over politieke conflicten heen te stappen en weer met partijen samen te werken, is hij het. Ik denk dat mensen dat ook zien.”

Er is nu wel véél om overheen te stappen. Dat kiezers de politiek en de overheid steeds minder vertrouwen, snapt Segers wel. „Dat komt door het pandemonium dat wij ten tonele brengen. Ons politieke systeem staat of valt bij het vermogen en de vaardigheid om tot compromissen te komen, ook met politieke tegenstanders. En dat lukt nu niet.”

In dat pandemonium hadden de ChristenUnie-Kamerleden vorige week een belangrijke rol: door hun steun werd de motie van afkeuring aangenomen over de Afghanistan-evacuatie, die leidde tot het aftreden van de ministers Sigrid Kaag (Buitenlandse Zaken, D66) en Ank Bijleveld (Defensie, CDA). „Wij hadden niet om dat aftreden gevraagd”, zegt Segers. „De motie van wantrouwen hebben wij niet gesteund. Wij hebben het beleid afgekeurd: er zijn mensen achtergebleven in Afghanistan, we zijn te laat in beweging gekomen. Daar ging het ons om. En dan lees ik dat wij nog een appeltje te schillen hadden met D66. Of stel dat het Kaag juist een zetje kan hebben gegeven in haar leiderschap? Dat kan allemaal nooit een reden voor ons zijn om wel of niet voor zo’n motie te stemmen.”

Wantrouwen zaaien

Als overheid, denkt Segers, krijg je alleen vertrouwen van mensen als je die zelf ook vertrouwt. „Dat zetten we nu op het spel door de coronapas: de duimschroeven worden aangehaald om mensen naar een vaccinatie te duwen. Maar als jij burgers wantrouwt, krijgen die sluipenderwijs een afkeer van de overheid. Dat kan na corona weer wegebben, maar dan is er wel wantrouwen gezaaid dat zomaar weer de kop kan opsteken bij iets nieuws wat zich voordoet.”

Bij het begin van Rutte III, in 2017, noemde Segers de samenwerking van VVD, CDA, D66 en CU „de laatste kans van het politieke midden”. En zoals het er nu naar uitziet, was dat ook zo.

De middenpartijen, zegt Segers, voelen zich „electoraal kwetsbaar”. „Ze hebben bijna allemaal al eens in de politieke afgrond gekeken en weten dat de levensduur van partijen eindig kan zijn. Voor D66 lijkt het veiliger om met GroenLinks en de PvdA in een kabinet te zitten, VVD en CDA proberen zichzelf minder kwetsbaar te maken door dat juist niet te doen.”

Segers noemt het „paradoxaal”. Partijen in het midden voelen zich volgens hem terecht kwetsbaar. „Kijk maar hoe de partijen aan de flanken zijn gegroeid. Maar hoe sterker je dat voelt, hoe verlammender het werkt. En hoe onaantrekkelijker het midden, dat niks voor elkaar krijgt, wordt voor de kiezers.” Partijen, zegt Segers, proberen te overleven en de pijn te verminderen. „Met als mogelijk resultaat dat ze allemaal worden afgestraft.”