‘Is hier bij defensie nog wel plek voor mánnen?’

Scholingsdag bij defensie Defensie wil dat ook vrouwen en minderheden zich er thuis voelen. Een scholingsdag laat zien dat dit nog niet vanzelfsprekend is. „Niemand is belangrijker dan de groep”.

Na het appèl op de KMA in Breda (rechtsonder) discussiëren cadetten over homoseksualiteit en gender (links) en diversiteit
Na het appèl op de KMA in Breda (rechtsonder) discussiëren cadetten over homoseksualiteit en gender (links) en diversiteit Foto Merlin Daleman

De gespreksleider wrijft in haar handen terwijl ze in de ruimte tussen de in U-vorm opgestelde tafels heen en weer loopt. Ze draagt een zwarte jurk, haar lange haar in dunne vlechtjes.

„Waar denk je aan bij de woorden diversiteit en inclusiviteit?”, vraagt ze de militairen rechts voor haar. Hun baretten liggen op tafel.

De mannen zijn lang, ogen fit en dragen een camouflagepak van de landmacht. Ze hebben kort haar, een van hen is kaal. Instructeurs zijn ze, hier op de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda. Ze leiden cadetten op tot officier.

„Allergie”, zegt de eerste instructeur. „Ik ben een beetje klaar met het onderwerp.”

De gespreksleider: „Oké, allergie. Dankjewel.”

De tweede instructeur: „Bij mij exáct hetzelfde. Allergie. Ik word van toneelstuk naar workshop gestuurd. Het is nooit goed genoeg. Er lijkt geen waardering te zijn voor het werk dat we doen.”

De gespreksleider: „Gebrek aan waardering. En irritatie. Oké, dankjewel.”

De derde: „Actueel.”

De vierde: „Ik word hier moe van. Het interesseert me niks of iemand hetero is of homo of een kleurtje heeft. Ik beoordeel mensen op hun gedrag. Als je de feedback ziet van mijn cadetten zitten we dicht tegen het ideaalplaatje aan. Dus je doet mensen pijn als je blijft pushen.”

„Moe, zeg je.”

„Ja, ik ben bereid om iedereen aan te horen hoor, maar bij ónze compagnie is het niet nodig.”

De sessie zal nog anderhalf uur duren.

De Nederlandse krijgsmacht kwam deze zomer in de schijnwerpers te staan als een onveilige werkplek voor vrouwen en mensen uit minderheidsgroepen. In NRC vertelden twee vrouwelijke oversten dat ze ontslag hadden genomen na twintig jaar vergeefse strijd tegen seksisme en racisme. Op de KMA bleek volgens een afstudeerscriptie sprake van „grensoverschrijdend gedrag” en „sociaal onveilige situaties” voor met name vrouwelijke cadetten.

De defensietop beloofde beterschap, de KMA kwam met actieplannen. Een ‘maatschappelijke dag’ waarop cadetten en instructeurs gesprekken voeren over allerlei aspecten van sociale veiligheid is zo’n initiatief. NRC mocht het middagprogramma bijwonen op voorwaarde dat deelnemers niet bij naam worden genoemd.

Foto Merlin Daleman

Zorgenkindje

De middag begint op het rugbyveld. Zo’n 150 studenten staan per onderdeel in de houding – landmacht, luchtmacht, marechaussee. De KMA-commandant vertelt hoe belangrijk hij deze door cadetten georganiseerde dag vindt: „Praten is doen!” Er volgt nog een huishoudelijke mededeling. Te weinig militairen hebben zich voor de sessie over diversiteit aangemeld. Een cadet roept de namen om van degenen die er alsnog verplicht heen moeten.

Eerst is er nog een gesprek over homoseksuelen en transgenders in de krijgsmacht, met zeven vrouwelijke cadetten in de banken. „Je kunt hier niet overal jezelf zijn”, zegt een bestuurslid van de Stichting Homoseksualiteit en Krijgsmacht. Bij de geneeskundige troepen lukt het aardig, de landmacht is „een zorgenkindje”.

„Bij een landmachteenheid van 2.800 mensen waren er drie openlijk biseksueel of gay: een kolonel, een majoor en ik.” Toen een commandant recent in een videovergadering zei: „Met al die homo’s in mijn groep wordt het  natuurlijk nooit wat”, wees het bestuurslid hem terecht.

Een cadet steekt haar vinger op: „Iemands geaardheid vind ik geen probleem, maar waar ik wel moeite mee heb is: waarom moet je het zo laten zien? Waarom hebben we het er steeds over?”

Plaatsvervangend commandant van de KMA Mostafa Hilali wijst op het motto van defensie. „Dat is niet: ‘defensie beschermt wat ons dierbaar is, maar alleen de hetero’s’. Zolang je het pak draagt, is het je plicht iedereen te beschermen.”

Een andere vraag die opkomt: wat als de groep moeite heeft met één van hen die anders is? De antwoorden van de cadetten zijn: „Je moet erover in gesprek gaan”, „niemand is belangrijker dan de groep” en „het scenario is onrealistisch”. Opkomen voor het individu is hier niet vanzelfsprekend.

‘Ik heb er niet zoveel mee’

Wanneer de diversiteitssessie begint, zitten achterin het lokaal slechts twee jonge vrouwen en één wat oudere vrouw. „Is dit alles?”, vraagt de gespreksleider in de zwarte jurk. De instructeurs in camouflagepak komen wat later binnen, zes in totaal. Ze gaan zitten, enkelen leunen wat achterover. Als de gespreksleider vraagt wie hier vrijwillig is, steken alleen de jonge vrouwen hun hand op.

Nieuwsgierigheid. Aandacht. Respect. Zo vat de gespreksleider de uitspraken van de drie vrouwen samen.

De mannen zijn beduidend meer aan het woord.

„Ik heb er niet zoveel mee”, zegt instructeur nummer vijf. „Volgens mij doen we al veel goed. Laten we eens kijken naar de taken die we al hebben, hoe we díe doen.”

De gespreksleider: „Focus op de taken, dankjewel.”

De zesde instructeur: „Diversiteit, inclusie, gender – het zijn allemaal woorden die zorgen voor discussies die eigenlijk nergens over gaan. Misschien moeten we zeggen: ‘Hé, dit bedoel ik met dat woord’.”

De gespreksleider: „Focus en uitleg.”

„Uitleg, ja.”

De gespreksleider: „Ik denk dat we heel mooie gesprekken kunnen gaan voeren.”

Haar collega neemt de rol van gespreksleider van haar over. Hij is een kolonel in een blauw marechaussee-uniform met zwart krullend haar. „Ik begrijp goed wat jullie zeggen. Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat we nog wel wat te winnen hebben. We krijgen signalen dat niet iedereen het zo ervaart.”

Instructeur 1: „Ik probeer na te gaan wat voor problemen ik in mijn loopbaan heb onderkend. Mínimaal. Om hoeveel signalen gaat het eigenlijk?”

Instructeur 3: „Defensie is gewoon niet aantrekkelijk voor bepaalde bevolkingsgroepen.”

De gespreksleider: „Waardoor komt dat volgens jou?”

„Dat durf ik niet te zeggen. Maar ik ervaar geen problemen.”

Instructeur 2: „Ik denk dat defensie te weinig werft in de grote steden.”

De gespreksleider: „Dus jij zegt: werving. Zijn we aantrekkelijk voor mensen die uit de klassieke diversiteitsdoelgroep komen? Of voor homo’s?”

Instructeur 2: „Ik denk dat we in het algemeen niet aantrekkelijk zijn.”

De gespreksleider: „Maar hoe kómt dat dan?”

Weer die werving. Inspecteur 4: „We werven met een masculien beeld, terwijl we steeds minder masculien worden.”

De gespreksleider: „Oké, ik geef een voorbeeld. ‘Wat wil je drinken?’ ‘Doe maar thee.’ ‘Thee?! Je bent toch geen homo?’ Als dat gezegd wordt. Hoe reageer je dan?”

Instructeur 2 zucht hoorbaar.

Instructeur 6: „Waarschijnlijk lachend.”

De gespreksleider: „Oké, en wat straal je dan uit?”

Instructeur 2: „Dit is nu precies waarom ik dit zo’n vervelend onderwerp vind om over te praten.” Hij tikt met zijn vinger op de tafel. „Ik-her-ken-dit-niet bij mij op de bedrijfsvloer. Driekwart van de kaderleden drinkt thee. Niemand maakt grappen over homo’s. De helft eet vegetarisch. Iedereen doet zijn ding. Maar altijd weer worden we geconfronteerd met deze beelden. Dat wij dit zijn.”

De gespreksleider: „Ik heb het niet specifiek over jouw werkvloer, hè?”

Plaatsvervangend commandant Mostafa Hilali: „Ik draai het even om. Dit hoor ik al jaren in Nederland over Marokkanen. Omdat ik een Marokkaan ben zal ik wel een crimineel zijn. Omdat ik moslim ben een terrorist. Dat raakt me ontzettend. Weet je wat de pech is? We moeten het erover hebben. Deze uitspraken gebeuren wél, in dusdanige hoeveelheden. En al was het er maar eentje. Wij zijn toch van de kameraadschap? Leave no man behind. In oefeningen en uitzendingen gaan we voor elkaar door het vuur, en hier vinden we het lastig. We moeten ons er doorheen bijten.”

Instructeur 2: „Ik ben het daar principieel niet mee eens. Blijf het herhalen, blijf het herhalen, blijf het herhalen, en dan zeg ik: dan is er blijkbaar geen plek voor mij in deze organisatie.”

Hilali: „Wie zegt dat voor jou geen plaats is in de organisatie?”

Instructeur 2: „Ik voel me niet prettig als ik keer op keer door deze voorbeelden moet, van een toneelstuk tot deze sessie. We worden continue gediskwalificeerd. En ik vind het heel vervelend dat u die dingen heeft meegemaakt, maar ik kom uit Amsterdam-Noord en de keren dat er een mes op mijn keel is gezet door iemand van Marokkaanse afkomst kan ik niet op één hand tellen. Dus hoe ik me daar als Hollandse jongen bij heb gevoeld, is hetzelfde.”

Hilali, kalm: „Maar wat is dan het alternatief? Gaan we het er niet meer over hebben?”

De gespreksleider: „Natuurlijk hebben we niet allemaal verkeerde intenties, maar soms kun je een blinde vlek hebben. Dan moet je je daar bewust van zijn om erachter te komen hoe het beter kan.”

Foto Merlin Daleman

Blijf kalm

Het gesprek kabbelt even door over flashy wervingsfilmpjes en een krappe arbeidsmarkt.

Instructeur 2, ineens: „Ik vind homoseksualiteit een moeilijk onderwerp. Ik vraag nooit aan mijn werknemers wat hun seksuele voorkeur is. Waar het mij om gaat is: kan jij je Colt of Spike goed bedienen? Maar toen rondging dat een van mijn onderofficieren homoseksueel zou zijn, deed het me pijn dat hij blijkbaar niet de openheid voelde om dat te delen.”

De gespreksleider: „Die pijn hebben we dan allebei gevoeld.” Hij geeft schrijnende voorbeelden van mannelijke militairen die geheimhouden dat ze op mannen vallen. „Zo’n grappig bedoelde opmerking over homo’s, dat doen we vaak. Mijn oproep is: probeer je eens voor te stellen hoe dat voelt voor een collega die homo is en op het punt staat om het te vertellen.”

Instructeur 2: „Sorry dat ik veel reageer, maar wij hebben in onze klas nu een eh..”

Instructeur 1: „.. een transgender.”

Instructeur 2: „Ja, iemand in transitie. Ik wil weten wat het geslacht is, voor de lijsten die ik moet invullen, de statistieken, de sporttesten. Maar ik durf er niet naar te vragen, ik ben ermee gestopt.”

De gespreksleider: „Waarom vraag je het niet gewoon?”

Lees ook het interview met twee oversten die vertellen over hun strijd tegen vooroordelen bij defensie: ‘Als vrouw moet je bij defensie op je tenen lopen’

Instructeur 2: „Ik zou niet weten hoe ik het moet vragen. En er zijn geen negatieve reacties wil ik ook even zeggen. Hij is op zijn plaats en onderdeel van de groep.”

Instructeur 4: „Dat komt dus nooit in de krant. Alleen de excessen.”

Instructeur 1: „Door al dat gedram wordt op de werkvloer juist gedacht dat iemand met een andere achtergrond om die reden daar zit. En laten we eerlijk zijn, er zijn mensen die om die reden op stoelen komen. Dat is gewoon zo. Dan kan je zeggen dat het niet zo is. Maar het is wel zo.”

De gespreksleider: „En hoe vinden we die balans?”

Instructeur 1: „Door het minder te pushen.”

Instructeur 4: „Of frame het juist, zo van ‘dit gaan we doen’. We kiezen voor beleid waarin vijf jaar lang deze maatregelen gelden. Dan ben je transparant.”

De drie gespreksleiders in het midden van de U kijken elkaar aan. De vrouw in het zwart en de derde persoon werken voltijds als beleidsadviseur op het ministerie van Defensie in Den Haag aan diversiteitsplannen. Hij neemt het gesprek nu van haar over.

De gespreksleider: „We werken aan een plan over streefcijfers. De defensieonderdelen zijn er op dit moment mee bezig. Ze denken na over ambitieuze, maar realistische streefcijfers tussen nu en vijf jaar. Je hebt een groep van 30 procent nodig om te zorgen dat ze geen eenling meer zijn. Dat is een minimum. We zitten nu op 15,4 procent vrouwen. Dus moeten we de komende vijf jaar 15 procent extra vrouwen binnenhalen.”

Instructeur 1: „Moeten? Dat is maar de vraag.”

De gespreksleider: „We hebben gezegd: we gaan toewerken naar 30 procent vrouwen bij defensie. Maar ook: doorstroom. Zorgen dat ze de cruciale stap van kapitein naar majoor kunnen maken. Dat is een moment waarop veel vrouwen denken, laat maar. Wij wilden nog niet zo ver gaan dat we ook de topfuncties meenamen, maar bij de Top Defensie Vorming zeiden ze: ‘Ja, doe maar wel, zeg maar tegen die generaal van zestig: voor u is er geen plaats meer, want we gaan vernieuwen’. Het moet.”

Instructeur 6: „Hoe kunnen we ooit hetzelfde percentage vrouwen krijgen als andere ministeries of bedrijven?”

De gespreksleider: „Daar laat je de uitdaging zien.”

„Dan moet je mannen eruit schoppen, anders kan het niet.”

De gespreksleider: „Je kan ook gebruik maken van voorkeursbeleid.”

Instructeur 2: „Ik vind het ronduit slecht. De vraag is of we niet zijn doorgeslagen. Zijn we nog wel inclusief voor mannen? Al mijn vrouwelijke jaargenoten gaan sneller door de rangen dan ik.”

„Sukkel”, roept iemand. Voor het eerst wordt er hardop gelachen.

De vrouw in de zwarte jurk rondt het gesprek af. „Fijn dat we een mooi gesprek met elkaar hebben kunnen voeren. Maar voor we gaan, wil ik weten wat je meeneemt als je de deur uitloopt.”

De drie vrouwen achterin noemen nu aandacht en weerstand en respect.

Instructeur 1: „Neem het serieus, maar blijf kalm.”

De gespreksleider: „Blijf kalm. Oké, dankjewel.”

Instructeur 2: „Jullie werk is echt goed. Maar diversiteit wekt een allergische reactie op, dat is zonde. We vinden hetzelfde, absoluut. Ik heb mijn hart wel kunnen luchten.”

De gespreksleider: „Hartstikke goed. Dankjewel.”

Instructeur 3: „Dat ook veel dingen goed gaan.”

Instructeur 4: „We zijn op de goede weg. Alleen net dat stukje bewustwording.”

Instructeur 5: „We moeten het erover hebben. En ook die allergie.”

Instructeur 6: „Je zult het erover moeten hebben. Hoe dan ook. Maar je zult wel op tenen trappen.”