Circus Den Haag: als consternatie de formatie steeds opnieuw overvleugelt

Deze week: vertrouwelijk beraad vóór het Kaag-debat, de steeds assertievere Kamer, de paradox van de openheid, de permanente Haagse commotie. Ofwel: als consternatie de formatie telkens overvleugelt.

En zo werd deze week, voor de derde keer deze kabinetsformatie, een leider van een middenpartij aan het wankelen gebracht.

Ditmaal dus Sigrid Kaag (D66). De Volkskrant onthulde interne stukken over de late evacuaties uit Afghanistan, Kaag moest ze als demissionair minister van Buitenlandse Zaken aan de Kamer sturen, en die nam een motie van afkeuring aan.

In april overleefde Mark Rutte (VVD) een vergelijkbaar debat nadat de Kamer afdwong dat gespreksverslagen van fractieleiders bij de informateur vrijkwamen. In mei kwam Wopke Hoekstra (CDA) in het nauw nadat de Kamer eiste dat staatsgeheime kabinetsnotulen werden gepubliceerd.

Het verschil in uitkomst had betrekkelijke waarde. De meeste bewindslieden blijven na een motie van afkeuring. Kaag wees dit in april streng af nadat Rutte dit ook deed. Zij zat hiermee gevangen in haar eigen principe, dat daags erna alsnog werd gevolgd door minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA), zodat we nu kunnen spreken van de Kaag-norm.

Maar dat was niet het enige. Met de banencarrousel van oververmoeide of disfunctionerende bewindslieden, en alle andere affaires de laatste maanden, gaven deze twee vertrekkende bewindslieden de politiek opnieuw de aanblik van een circus.

Je kunt je amper voorstellen dat kiezers nog kans zien alle commotie bij te houden: dat lukt politici zelf ook niet meer. Geregeld hoor je nu: ,,Wie is er vorige week ook weer afgetreden?’’

En je kunt je afvragen waarom het juist in deze formatie zo toegaat. Oververmoeidheid speelt een rol, de fouten die politiek leiders maken, de assertiviteit van de Kamer, en de openheid die het parlement voortdurend afdwingt. Wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart.

Maar dat heeft ook een objectief nadeel. Na zes maanden formatie hebben we wél talrijke bewindslieden zien vertrekken en drie leiders zien wankelen - maar de vorming van een kabinet is nog niets opgeschoten.

En als het circusgehalte van de politiek zo hoog is, als consternatie de formatie overvleugelt, terwijl dit het zicht van kiezers op Den Haag slechts vertroebelt, is wel de vraag wie hier eigenlijk baat bij heeft.

Het verlangen naar meer openheid is op zich logisch. Den Haag is te lang blijven geloven dat het ouderwetse toedekken in de nieuwe eeuw bruikbaar bleef. Fortuyn toonde dit al in 2002 aan.

Evengoed zijn het niet alleen de overheid en het kabinet die zaken routinematig vertrouwelijk afdoen. Ook Kamerfracties en partijen doen dat: het zit in het hart van de politieke cultuur.

Zo kon je deze week denken dat het aftreden van Kaag in de volle openheid van een Kamerdebat werd beklonken. Dit lag subtieler.

Cruciaal was dat het PvdA-Kamerlid Kati Piri woensdag een uur voor het debat een procedureel verzoek deed. De kabinetsdelegatie bestond uit vier bewindslieden: Rutte, Kaag, minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) en staatssecretaris Ankie Broekers-Knol (Justitie, VVD). Normaal is de premier dan eerste spreker namens het kabinet – de meester van de depolitisering.

Maar Piri verzocht een andere sprekersvolgorde: zij wilde als eerste debatteren met Bijleveld. Hierop volgde vertrouwelijk overleg in de kabinetsdelegatie – en daar rommelde het.

Bijleveld weigerde eerste spreker te zijn. Zij wees erop dat Kaag coördinerend minister was in deze kwestie, en zo trok Kaag de riskantste rol naar zich toe. Gevolg: ze kreeg ook vrijwel alle kritische vragen te verstouwen – met alle gevolgen van dien. Toen Bijleveld uren later het woord nam was het al bijna middernacht.

Ergo: de gevoeligste keuzes worden in Den Haag nog altijd in vertrouwelijkheid gemaakt.

Tegelijk had Kaag de kritische behandeling van de Kamer mede aan zichzelf te wijten. Fouten waren er genoeg gemaakt. En autonomie doet het goed bij kiezers, maar in lastige debatten zijn persoonlijke relaties ook van belang, zeker als je een electoraal gevaar bent. Dus het zei óók veel over haar dat ze amper mildheid opriep.

Evengoed was de storm waarin Kaag terechtkwam ook het gevolg van de Haagse burn-outfabriek - al hoorde je hier niemand over. Nadat minister Bas van ’t Wout (Economische Zaken, VVD) in mei een burn-out kreeg, nam minister van Buitenlandse Zaken Stef Blok (VVD) zijn post over – waarna Kaag, minister van hulp en handel, de functie van Blok erbij ging doen. En een indrukwekkende erfenis trof zij er inzake Afghanistan niet aan.

Intussen blijft de assertiviteit van de Kamer maar toenemen: ook een partij als de ChristenUnie – jaren een constructieve factor – volgt het voorbeeld.

De lievelingscoalitiepartner van VVD en CDA nam na het Ruttedebat in april al afscheid van Rutte: Gert-Jan Segers zei openlijk dat zijn partij niet meer onder de premier wilde dienen. Later kwam hij er voorzichtig op terug.

Maar binnenskamers wees hij meeregeren regelmatig af, met – ook hier speelt het - de oververmoeidheid van partijgenoten als voorname reden.

En deze week stemde de CU niet alleen tegen de coronapas van het kabinet, maar hielp de partij ook de motie van afkeuring tegen Kaag aan een meerderheid: „het kabinet” (CU-bewindslieden dus ook) handelde „onverantwoord” inzake Afghanistan, stond er.

Ook de CU plaatst zich nu dus bij voorkeur tegenover de macht.

De reacties op Kaags aftreden lieten zien dat verantwoordelijkheid nemen voor sommige Kamerleden moet leiden tot een levenslange verbanning uit Den Haag. Zo voorzag Wilders dat „de laffe elite” haar later toch weer zal promoveren tot vicepremier.

De werkelijkheid is meestal omgekeerd: politici die ondanks fouten of grensoverschrijdend gedrag geen verantwoordelijkheid nemen, wordt geen strobreed in de weg gelegd. Maar politici die aftreden – zie minister Jeanine Hennis (Defensie, VVD) in 2017 – zijn jaren niet ministeriabel.

Het gevolg: juist politici als Wilders bevorderen met hun eisen dat bewindslieden zo zelden hun verantwoordelijkheid nemen.

En als iets de formatie het laatste halfjaar eindeloos ingewikkeld maakte, is het de inwilliging van een verzoek van dezelfde Wilders: de openbaarmaking, 1 april, van de gespreksverslagen van de fractievoorzitters met de informateurs.

Voordeel had dit zeker: het bewijs kwam op tafel dat Rutte wél over Omtzigt sprak. Maar nadeel was er ook: alle onderhandelingsposities lagen op straat. Het creëerde verslechterde verhoudingen binnen partijen en onbeweeglijkheid tussen partijen. Zo werd openheid een blokkade van de formatie zelf.

Sindsdien spelen drie verschijnselen. De Kamer dwingt het kabinet tot steeds meer openheid. Optimisten zien hierin het bewijs dat een nieuwe bestuurscultuur mogelijk is. Maar het omgekeerde is ook waar: het belemmert de vorming van een nieuw bestuur.

En hier ligt een onbeantwoorde vraag onder: vindt de Kamer – maar ook het land – openheid zozeer van belang dat men er ook aan vasthoudt als het de regeringsvorming blijft belemmeren?

Dit is het dilemma dat ook de Kamer uiteindelijk onder ogen moet komen.

Want je hebt ook politici die het niet zo’n punt vinden dat de formatie zolang duurt. Zij redeneren dat het land er amper onder lijdt.

Daar pleit tegen dat de assertieve cultuur van het moment telkens nieuwe consternatie creëert, met telkens nieuwe circusvoorstellingen, met weinig tot geen betekenis voor burgers, en met het groeiende gevaar dat het aanzien van de politiek – en van de democratie – verder afbladdert.