Recensie

Recensie

Dankzij kunstmatige intelligentie weten archeologen én schatrovers waar ze moeten graven

Archeologie De archeologie maakte grote sprongen dankzij mobiele telefoons, laserscanners en andere moderne technologieën. Het boek van archeoloog Mark McCoy toont wat die vernieuwing opleverde.

Maya-erfgoed in Guatemala blootgelegd met behulp van lasertechnologie.
Maya-erfgoed in Guatemala blootgelegd met behulp van lasertechnologie. Beeld EPA/PACUNAM

Archeologen graven vragen op. Ze toetsen theorieën en streven naar inzicht in de mens als sociaal en cultureel wezen. Het verleden, zo anders dan het heden, helpt immers om het plaats- en tijdeigene van onze eigen cultuur te herkennen en te doorgronden.

Dit alles doen archeologen met wetenschappelijke methoden en principes. Net als in andere vakgebieden gaat het er niet alleen om dingen te ontdekken, maar ook om de verwerving van nieuwe categorieën inzicht. Dat gaat de archeologen goed af. In de afgelopen anderhalve eeuw hebben ze hun methoden voortdurend vernieuwd en zo verbreedden en verdiepten ze de aard van hun inzicht. Van ons inzicht.

Grote kans echter dat u daarvan weinig hebt meegekregen. Oudheidkundigen leggen het wetenschappelijke proces nauwelijks uit. Boeken, tijdschriften en de erfgoedsector werpen u vooral conclusies toe. Het enige archeologiemuseum in de Benelux, in Brugge, heeft de coronacrisis niet overleefd. Andere musea benutten vondsten vooral om verhalen te vertellen – over de Egyptische god Bes bijvoorbeeld, of keizer Domitianus of voorchristelijk Armenië. Ook zinvol, maar zo verneemt u niet wat archeologie is.

Eenvoudige uitleg doet afbreuk aan het draagvlak. Wie geïnteresseerd raakt en geen verdieping vindt, concludeert dat het intellectueel weinig voorstelt en haakt af. Zo zijn we beland in de paradoxale situatie dat bij grote bouwprojecten meer dan ooit rekening wordt gehouden met archeologie, terwijl de voorlichting het steeds hoger opgeleide publiek onbevredigd achterlaat.

Lacune vullen

De Amerikaanse archeoloog Mark McCoy herkent dat een vakgebied haar toekomst riskeert als onduidelijk blijft wat op het spel staat. Archeologen hebben enorme sprongen voorwaarts gemaakt, vindt McCoy, maar vergaten aan het publiek uit te leggen wat die sprongen betekenden. Om die lacune te vullen legt hij in zijn recente boek Maps for Time Travelers methodische vernieuwingen uit, toont hij hoe archeologen daardoor nieuwe soorten inzicht verwerven en attendeert hij op complicaties.

Hij begint met lucht- en satellietfotografie, maar komt op stoom als hij daarna vertelt wat de mogelijkheden zijn van laserscanners, waarmee het aards reliëf vanuit de hoogte wordt ingemeten. Hiermee zijn in korte tijd enorme gebieden zeer gedetailleerd te karteren en om te zetten in drie-dimensionele reconstructies. De plattegronden van antieke Maya-steden zijn maar één voorbeeld. Als in 2025 de Duitse TerraSAR-X NG-satelliet functioneert, is een resolutie mogelijk van 25 centimeter.

Niet alle methoden zijn ontwikkeld voor archeologen. Reflectieseismiek is bijvoorbeeld de techniek waarmee de offshorebedrijven zoeken naar aardolie en -gas, maar archeologen hebben dankbaar van die kartering van de Noordzee gebruik gemaakt voor de bestudering van het verzonken Doggerland.

Lees ook: Hoe Doggerland onder water verdween

Vandalen

McCoy behandelt niet alleen de wijze waarop archeologen het reliëf bestuderen, maar beschrijft ook de methoden waarmee ze weten wat er in de grond zit. De registratie daarvan gaat dankzij gps snel en precies, en archeologen vinden de diverse soorten informatie met allerlei digitale geografische informatiesystemen (GIS) die ook helpen deze informatie te analyseren. Sterker nog, dankzij kunstmatige intelligentie kan een computer vooronderzoek doen en aanwijzen waar interessante zaken kunnen liggen.

Hoewel dit allemaal prachtig is, zijn er complicaties. Wetenschappelijke informatie is meestal openbaar, en vandalen kunnen met een paar muisklikken ontdekken waar verhandelbare oudheden in de grond zitten.

Een andere complicatie betreft het begrip ‘vindplaats’. Archeologen kijken door de innovaties niet langer naar een afgebakende plek (een site) maar bestuderen complete landschappen. Deze omslag dwingt tot nieuwe criteria die vaststellen wat beschermd moet worden. Een voorbeeld uit eigen contreien is het Romeinse wegennet. Hoe meer we ervan weten, hoe groter het oppervlak dat we zouden willen beschermen. Maar we kunnen, nu archeologen complete landschappen bestuderen, niet álles bewaren.

Misschien wel het meest ingrijpend is het onderzoek naar mobiliteit. Doordat mobiele telefoons de bewegingen van hun gebruikers registreren, is in het afgelopen decennium meer inzicht ontstaan in de wijze waarop mensen zich verplaatsen. Een van McCoys voorbeelden is een groep van jagers/verzamelaars uit Tanzania met digitale horloges. Het bleek dat hun bewegingspatroon niet volkomen willekeurig was (zoals in de Brownse beweging), maar een Lévy-vlucht, waarbij willekeurige bewegingen worden afgewisseld met lange bewegingen in een vaste richting. Archeologen zien dus niet alleen waar en hoe mensen hebben geleefd, maar hebben nu een instrument om de verspreiding van die mensen te beschrijven.

Opvallend mobiel

Op dit punt valt meer te zeggen dan McCoy zeggen kan. Het isotopen- en dna-onderzoek van de afgelopen tien jaar – weer nieuwe archeologische methoden en nieuwe soorten inzicht – heeft aangetoond dat antieke mensen opvallend mobiel waren. Dit heeft gevolgen voor de uitleg van cultuuruitingen: waar mensen reizen, reizen hun ideeën immers mee, en de mobiliteit van ideeën dwingt oudheidkundigen tot nieuwe interpretatiewijzen.

Neem bijvoorbeeld een Latijnse tekst. Traditioneel zou een onderzoeker die hebben geïnterpreteerd door eerst te kijken naar Centraal-Italië of de West-Romeinse wereld. Het was immers niet aannemelijk dat er veel waardevols was te vinden in bijvoorbeeld de Aramese literatuur, die vér weg was geschreven en in een andere taal. Nu ideeën zo mobiel blijken, is dat criterium vervallen.

Oudheidkundigen beschikken nu dus over een enorm extra aanbod van potentieel relevante informatie. Dé grote uitdaging is het vinden van criteria om in dat aanbod zinvolle van zinledige parallellen te scheiden. Eén van die criteria zou de richting van de mobiliteit kunnen zijn en op dit punt zijn de archeologische mobiliteitsstudies relevant.

Maps for Time Travelers toont het publiek wat de recente sprongen voorwaarts betekenden: nieuwe methoden, nieuwe soorten inzicht, nieuwe complicaties. In feite legt McCoy uit wat archeologie vooral is: een wetenschap.