Foto Daniel Niessen

Interview

Monique Lesterhuis: ‘Ik ben geworden wie ik al was’

Wat maakt het leven de moeite waard? Monique Lesterhuis (54), researcher voor documentairefilmmakers, dompelt zich onder in werelden die ze niet kent: wat drijft mensen, hoe zijn ze terechtgekomen waar ze zijn, waar dromen ze van? „Ik ben slecht in keuzes maken, ik vind te veel dingen interessant en leuk.”

De film moest een ode aan het onderwijs worden. Decor: een klas in een doodgewone basisschool. Hoofdpersoon: een docent, gewoon en toch bijzonder, zo iemand waar iedereen goede herinneringen aan heeft. De opdracht van de regisseurs aan Monique Lesterhuis: vind zo iemand.

Ze vroeg rond en kreeg veel antwoorden vol pedagogisch jargon. Maar naar één juf en haar klas werd ze meteen nieuwsgierig. Die klas, op een Brabantse dorpsschool, bleek alleen niet zo doorsnee. Er zaten ook kinderen in van oorlogsvluchtelingen die nog geen woord Nederlands spraken. Toch ging ze er kijken, liep een dag mee en was verkocht. „Ik had een andere opdracht gekregen”, zegt ze. „Maar ik wist dat dit precies was wat ze zochten.”

Zo vond ze op basisschool Het Palet in Hapert die bijzondere, gewone juf, die rustig en strikt cultuurverschillen negeert, haar kinderen veiligheid biedt en ze geleidelijk laat opbloeien. De juf die je nooit meer vergeet. In 2017 won De kinderen van juf Kiet een Gouden Kalf.

‘Research: Monique Lesterhuis’ staat in de aftiteling van veel spraakmakende documentaires. Ze zoekt en benadert ‘personages’. Om het verhaal ‘scherp’ te krijgen, loopt ze soms maandenlang mee bij een bedrijf of instelling voordat er een camera aan te pas komt. Ze zoekt geschikte locaties. En als regisseurs in hun materiaal dreigen te verdrinken, kunnen ze ook bij haar terecht.

Ze werkt al jaren samen met Heddy Honigmann, voor Buddy (2018), over hulphonden, en 100UP (2020), over levenslustige honderdjarigen en ook al vóór ‘Juf Kiet’ samen met Peter en Petra Lataster. Ze hielp Jorien van Nes bij Goede Moeders (2021), over de omstreden uithuisplaatsing van pasgeboren kinderen. En met Suzanne Raes maakte ze twee films over de sociale dienst: Sta me bij (2010) en De tegenprestatie (2016).

Hoewel die laatste film de regisseur én haarzelf een Gouden kalf opleverde, is Monique Lesterhuis (1967) voor het grote publiek een onbekende. „Je moet niet een te groot ego hebben als je op de achtergrond wilt opereren, maar ik vind het geen mindere rol”, zegt ze als we elkaar spreken onder de bomen van het landgoed Amelisweerd bij Utrecht, de stad waar ze woont. „Op de filmacademie zal niemand zeggen: ik wil researcher worden. Toch is dat waar het mee begint.”

Bij de sociale dienst in Rotterdam liep je eerst een half jaar mee voordat de opnames begonnen. Denk je dan al in beelden?

„Nee. Ik probeer vertrouwen te winnen, te ontdekken wat zich tussen mensen afspeelt: wat zijn de patronen? En de taal: iemand die een ‘korting’ krijgt, bijvoorbeeld. Korting is iets leuks, dat krijg je in een winkel. Hier betekent het straf, maar dat zeggen ze niet. Suzanne, de regisseur, vertaalt zulke dingen naar beeld. Het gaat ook om durven weglaten. Dat is die andere film, die je óók had kunnen maken. De kern is: invalshoeken kiezen en andere afsluiten.”

Hoe ontstaat zo’n idee om hulphonden met hun baasjes te filmen?

„Bijna nooit met een idee van mezelf. Dat is ook waarom ik geen regisseur ben. Ik kan een goed idee meteen herkennen, maar vraag mezelf soms ook af: waarom kan ik dat zelf niet bedenken?

Buddy kwam voort uit Heddy’s film over Nederlandse VN-soldaten (Crazy, 1999). Ze dacht altijd: dit verhaal is niet af. Op een dag zag ze een spotje over honden die veteranen met PTSS helpen en wist ze hoe het verder moest: een film met ook honden als personage, verschillend in karakter en uiterlijk. Ze wilde er ook een oud iemand in, die misschien wel afscheid van de hond moet nemen. Die moest ik zoeken. Via via kwam ik bij de blinde dame die met haar hond rent, en paardrijdt. Met haar heb ik nog steeds contact.”

Ik wil mijn onbevangenheid kunnen behouden

Bij ‘Juf Kiet’ was het element van de vluchtelingenkinderen jouw voorstel. Dat is meer dan een opdracht uitvoeren.

„Ik zag inderdaad een combinatie van thema’s. Ik weet niet of ik dat gedurfd had als ik jonger was geweest. En ik ken de regisseurs natuurlijk al langer. Het belangrijkste is: kan iemand de film dragen? Ik vind het een gezonde reactie als iemand eerst nee zegt. Er zijn er ook die zeggen: over mij kun je wel tien films maken. Dat moet je wantrouwen. Uiteindelijk vond Kiet het belangrijk om te laten zien wat de waarde van onderwijs is, daarom heeft ze het gedaan.”

Bij zulke films staat iets op het spel.

„Daarom ben ik zo trots op de twee films over de sociale dienst. Het heeft veel meer gebracht dan kijkcijfers, maar in die wereld zelf dingen in beweging gezet.”

Wat is het belang om mee te werken aan zo’n nietsverhullende documentaire?

„Suzanne zegt weleens: je kunt beter een documentairemaker binnenhalen dan een duur onderzoeksbureau. Wij laten mensen door andere ogen naar hun eigen organisatie kijken. En naar zichzelf. Van de directeur kregen we volledige toegang. Na de uitzending vroeg hij zijn medewerkers: wat vond je omgeving er eigenlijk van? Ze realiseerden zich: doen wij dat echt zo? Kun je bij de intake wel aan iemand zonder werk vragen: ‘Denkt u weleens: ik wil er liever niet meer zijn?’

„Mensen die in Rotterdam een uitkering aanvroegen, moesten in het begin als ‘tegenprestatie’ papier prikken, wat tot woede en schaamte leidde. Alsof je een taakstraf had. Toen ze de film zagen, realiseerden de ambtenaren zich dat de prikkers andere hesjes hadden dan de begeleiders. Waarom dat onderscheid? Dat is afgeschaft. Het is iets kleins, en natuurlijk was er kritiek op Rotterdam als strenge stad, maar ze hebben de film ook gebruikt om te kijken wat ze beter konden doen.”

Documentaires maken als engagement?

„Ik ben begonnen bij TV Dits, van [regisseur en producent] Ireen van Ditshuyzen. Zij maakt films om maatschappelijk iets te bereiken, al wordt ze boos als je haar activist noemt. Zo heeft haar film Vergeten (1994) dementie en Alzheimer bespreekbaar helpen maken. Dat heb ik wel meegekregen.”

Het zijn vaak intieme conversaties. Hoe word je met een camera onzichtbaar?

„Bij de sociale dienst vragen mensen: ik kom er niet meer uit, help mij. De bijstand is hun laatste vangnet. Voor hen gaat het om de ambtenaar tegenover hen. Daar hangt alles van af. Na afloop hoorden wij steeds: ik was binnen een paar minuten vergeten dat jullie er waren.”

Werkt observeren even goed als scherpe vragen stellen?

„Het begint wel met observeren. In elk geval moet je je eigen verwondering en onbevangenheid behouden. Ergens naar kunnen kijken alsof je het voor het eerst ziet. En scherpe vragen – tja, je vraagt eigenlijk steeds: ‘Waarom?’ Bijna zoals een kind. Van Heddy heb ik geleerd dat je soms ‘domme vragen’ moet stellen. Naar dingen vragen waarvan je denkt dat ze voor de hand liggen. Want het gaat er niet om dat je het antwoord wilt weten, maar hóé mensen antwoorden. Heddy vraagt ook weleens: ‘Wat zeg je?’ Dan weet ik nooit helemaal zeker of ze het echt niet heeft verstaan. Maar dan vertelt iemand hetzelfde nog eens en soms komt dan het echte verhaal naar boven.

„Je komt niet tot de kern als je dingen van tevoren uitsluit. Ik kom bij een onderzoek veel tegen waarvan ik weet: dit wordt niet het verhaal. Maar soms ontmoet je dan net iemand die je op een goed spoor zet.”

Ben je altijd bij opnames?

„Bij films van Heddy en Suzanne wel.”

Dan maak je dus ook de film.

„Eigenlijk wel.”

Ben je dan niet te bescheiden over je rol?

„Ik vraag me weleens af: hoe komt het nu eigenlijk dat ik in deze rol ben terechtgekomen? Of waarom past die zo goed bij mij? Ik ben slecht in keuzes maken en beslissingen nemen, want ik vind veel dingen interessant en leuk. Daarom koos ik ook ooit algemene letteren, een heel brede, open studie. Mensen vroegen wel: wat kun je daar nu mee? Dan dacht ik: dat zie ik dan wel weer.

„Wat ik nu doe is eigenlijk ook zoiets: ik dompel me een tijd onder in een wereld die ik niet ken. En daarna vind ik het fijn dat het weer voorbij is en dat ik in een nieuwe wereld kan stappen. Ik denk vaak: als ik iets meer pech had gehad, een andere afslag had genomen, andere mensen was tegengekomen, dan had ik ook hun leven kunnen leiden.”

‘Ik had wel duizend levens en ik koos er maar één’, dichtte Cees Nooteboom. Zijn het keuzes?

„Het heeft wel iets willekeurigs. Het hangt af van wat zich aandient, met welk idee iemand komt aanzetten. Maar ik kan ook nee zeggen, natuurlijk. Ik word weleens gevraagd om snel iets moeilijks te doen, terwijl een regisseur zich niet realiseert dat de echte investering in het voorwerk zit, je ergens in verdiepen en oprecht geïnteresseerd zijn. Je kunt mensen alleen meekrijgen als je kunt laten zien waarom je dat wil, dat kun je niet faken.”

Als je dingen van tevoren uitsluit, mis je vaak de kern

Wat is de rode draad in je werk?

„Wat drijft mensen, hoe zijn ze terechtgekomen waar ze zijn, waar dromen ze van? Het is mooi als mensen iets willen, ook mensen die misschien een klein, bescheiden leven leiden.”

En het gaat vaak over verlies. Levensgeluk, een baan, een partner, een kind.

„Daar zit natuurlijk de meeste wrijving.”

En kun je nog met droge ogen terugkijken? Een oude vrouw die vertelt dat ze al vijftien jaar haar kinderen en kleinkinderen niet heeft gezien en zegt: ‘Ik hou het een beetje bij via Facebook.’

„Het zijn vaak van die kleine, achteloze zinnetjes waar een hele wereld achter zit.” Ze schraapt haar keel. „Normaal praat ik nooit zoveel, ik luister alleen.” Ze lacht even. „Er zijn momenten in films die me elke keer opnieuw raken, zoals in de nieuwe film van Heddy over haar eigen leven en werk, die deze maand uitkomt op het Nederlands Filmfestival, No hay camino [naar het gedicht van Antonio Machado, ‘Reiziger, de weg bestaat niet,/ je maakt de weg door hem te gaan’]. We zijn in Peru, in Lima, waar ze geboren is. Heddy is erg ziek en gaat op zoek naar het huis waar ze als kind heeft gewoond. Ze weet alleen nog dat het aan een binnenpleintje is, met een lantaarn. Ze wordt gefilmd in de taxi. We rijden rond. En opeens ziet ze wat ze zoekt. Die scène is zó oprecht dat ik elke keer kippenvel krijg.”

Misschien had ik moeten vragen: moet je tijdens opnames weleens huilen?

„O ja, ja. Geraakt worden, ja. Maar als ik zelf achter de camera zou staan, zou ik het misschien niet toelaten… Denk je dat het interessant is voor mensen om over dit vak te horen?”

Bij deze interviews in de krant is de vraag: waar haal je voldoening in het leven uit.

„Uit de bevoorrechte positie om zoveel mensen te ontmoeten en levens te leren kennen. Het is misschien een cliché, maar ik zie het meestal niet als werk. Natuurlijk denk ik weleens: blijf ik dit altijd doen, maar ik kan niets leukers verzinnen. Achteraf denk ik: het klopt precies. Maar ik had het nooit kunnen voorzien. Ik heb het nooit actief geregeld, het is op mijn pad gekomen.”

Het is mooi als mensen iets willen, ook mensen met een klein, bescheiden leven

Je kunt slecht beslissen, zei je.

„Ik ben zelden erg uitgesproken. Als ik research moet doen voor iets waarbij twee partijen tegenover elkaar staan, praat ik eerst met de ene en begrijp ik hun verhaal volkomen. En daarna begrijp ik het verhaal van de andere partij óók. Dat besluiteloze zit wel in mij en in het dagelijks leven kan het weleens onhandig zijn, maar voor dit vak helpt het als je geen sterke overtuigingen hebt, als je er open ingaat.”

En de keuze uitstelt tot de montagetafel.

„En misschien komt-ie dan nog steeds niet. Het mooie is: onderzoeken en niet per se veroordelen, maar begrijpen hoe het zit. Dat komt in mijn vak tot uiting en het is ook een goede levenshouding. Als je niet meer mee kunt gaan in degene tegenover je, dan houdt het op, dan blijft iedereen waar hij zit. Vroeger wilde ik trouwens Astrid Lindgren worden. En daarna Kate Bush.”

Maar het werd Monique Lesterhuis.

„Dat is ook goed. Ik ben geworden wie ik al was.”

Tijdens het Nederlands Film Festival geeft regisseur Heddy Honigmann op 29 september een masterclass met mensen met wie ze samenwerkt, onder wie Monique Lesterhuis (filmfestival.nl)