Olivier Middendorp

Interview

Het belang van het Vondelpark – ‘Gezond parkgenot in ziekelijk stadsbestaan’

Norbert Peeters | Botanisch filosoof en schrijver Ondanks zijn scepsis over de ‘wilderniseilanden’ is het Vondelpark voor Amsterdam van groot belang, zegt Norbert Peeters: „Het park is een geneesmiddel tegen het onmenselijke stadsbestaan”.

Juist op het moment dat botanisch filosoof Norbert Peeters is aanbeland bij een van de twee wilderniseilanden in het Vondelpark, rijdt een hovenier zijn pick-up naar buiten. In de laadbak allerhande tuingereedschap, zoals een schop, maaimachine en bosmaaier wat vroeger een zeis was. De man sluit het hek met daarop het bordje ‘Verboden toegang’ met een ketting hermetisch af. Ontoegankelijk wildernisgebied, luidt de boodschap. „Dat is wel symbolisch”, zegt Peeters. „Dit is de Koeienweide en verderop ligt de Schapenweide, twee plekken in het park die officieel zijn aangewezen als kleine wildernisreservaten; daar mag de natuur haar gang gaan, zonder menselijk ingrijpen.”

We zijn onze wandeling op zoek naar de al dan niet bestaande parkwildernis begonnen bij het standbeeld van de dichter Vondel, geplaatst in 1867, twee jaar na opening. Dat is een welbewuste keuze van Peeters, die met Wildernis-vernis. Een filosoof in het Vondelpark juist een pamflet schreef tegen de opvatting dat wat natuurbeheerders ‘wildernis’ noemen helemaal geen wilde natuur is maar eerder tuinkunst. Peeters: „Vondel schreef een prachtig gedicht over Amsterdam waarin hij stelt dat de Hollandse leeuw ‘in de longen gebeten wordt’ door de waterwolf.”

Het Vondelpark is van begin af aan een kunstmatig aangelegd park geweest, vertelt hij, want het ligt in een vroeger veengebied en moet „onophoudelijk gedraineerd” worden met een gemaal aan de Amstelveenseweg. „Met kunst- en vliegwerk wordt hier natuur in stand gehouden, en niemand die het merkt. Door die kunstmatige waterafvoer verzakt het park en ligt het intussen twee meter lager dan de omliggende bebouwing. Als je eerlijk bent, dan ligt onder de kunstmatige natuur van het Vondelpark nog steeds de echte, dreigende wildernis die zich onttrekt aan de regelzucht van de mens: dat is het veenpakket waarop het rust.”

Het is misschien vreemd om op een zonovergoten, zomerse dag door het Vondelpark te lopen op zoek naar wildernis, terwijl overal de stadsbewoners aan het zonnebaden zijn, joggen, wandelen, fietsen, op terrassen zitten, zelfs tennissen aan de rand van het park, honden uitlaten. De grasvelden zijn strak gemaaid en de bloeiende planten keurig gepoot in de perken. In de herfst klinkt hier straks het luidruchtige gejengel van bladblazers.

Waarom heeft u uw gedachten over wildernis als illusie en als tuinkunst niet geprojecteerd in een gebied als de Oostvaardersplassen?

„Dat vereist een veel groter onderzoek en past niet binnen de opzet van de suggestie van wilde natuur in de stad en als contrast tot de stad. Dat spanningsveld boeit me. Het Vondelpark is ooit begonnen als uitbreiding van de bolwerken die de stad in de 19de eeuw omringden. Het is een publiek groengebied waar de schijn wordt gewekt van echte natuur, of, zoals Jac. P. Thijsse en Eli Heimans zeggen in hun vriendenboek In het Vondelpark uit 1901: ‘Ons Vondelpark is al mooi, maar ’t is te kunstmatig mooi, wat natuur erbij en ’t zal volmaakt worden’. In hun ogen zou het park gerust een ‘natuurwoud’ mogen zijn en geen natuur-imitatie. Zij verzetten zich tegen de ‘schoffelgekte’ die de stadstuiniers aan de dag legden, vergelijkbaar met de plantsoenendienst van nu met hun machinerie. Ze wilden graag echte natuur, zodat mensen konden zien en ervaren hoe de natuur eruit ziet als je die niet laat beheersen door mensenhand. Ooit stonden in het park bordjes met verboden bloemen te plukken, dat wilden Thijsse en Heimans vervangen door: ‘Hier mag niet geschoffeld worden’.”

Peeters heeft persoonlijk overigens geen bezwaar tegen het huidige onderhoud op de Schapen- en Koeienweide: „Maar laten ze het dan eerlijk wildernistuinen noemen – met de nadruk op ‘tuinen’.”

U gaat uitvoerig in op de tuinvormen, van de formele Franse tuinen met geometrische aanleg, geschoren hagen en gesnoeide bomen tot de Engelse romantische landschapstuin. Hoe typeert u het Vondelpark?

„Het Vondelpark is ontworpen als een Engelse tuin, dit betekent dat je je niet bewust bent van de stad om je heen. Kijk maar eens om je heen, je ziet niet of nauwelijks de gevelrijen van de huizen die het park omsluiten. En de paadjes en paden slingeren, om je de illusie te geven dat overal natuur is, je ziet de hekken niet en dus leeft de bezoeker in de veronderstelling dat hier de heerschappij is van de natuur. ”

Elk stuk zogenaamde wilde natuur is fictief

Norbert Peeters

Zijn boek begon met veldwerk naar insecten in de Schapenweide, achter het hek met ‘Verboden toegang’ erop. Peeters had toen het idee dat hij écht in de wildernis was. Het gebied oogde ruig, er lagen keien opgestapeld en hier en daar een omgevallen boom – „je zou zeggen: een keurig omgevallen boom”.

Norbert Peeters in het Vondelpark: „Engelse romantische tuinkunst wordt ingezet om een park als wildernis te presenteren.” Foto Olivier Middendorp

Tot hij erachter kwam dat hij eigenlijk werd „beduveld” en hij kwam uit op de paradox van dit wilderniseiland in het park: op zo kunstmatig en gemanipuleerd mogelijke wijze wordt hier wilde natuur gepresenteerd. Peeters: „De wilde natuur is gecultiveerde natuur. In Nederland heerst er een nieuwe trend die rewilding heet, herwildering, dat klinkt heel bijzonder maar het is fraude: elk stuk zogenaamd wilde natuur is fictief. Ik stond daar tijdens dat veldwerk wilde fauna en flora te bestuderen, tot ik tot de conclusie kwam dat het allemaal door mensenhand was gemaakt en aangelegd. Met andere woorden: Engelse romantische tuinkunst wordt ingezet om een park als wildernis te presenteren, eigenlijk is er sprake van natuur-imitatie.”

Peeters geeft nog een reden waarom zijn essay zich in het Vondelpark afspeelt. Tijdens zijn onderzoek kwam hij een „schitterend verhaal” tegen: Zomeravondwandeling, in 1906 geschreven door de Amsterdamse auteur Samuel Goudsmit. Het gaat over het Joodse echtpaar Zakkie en Grietje, een kolensjouwer en zijn zieke vrouw die in een benauwde kelderwoning leven. Voor hen is de stad met haar martelende hitte vergelijkbaar met een wildernis en is het Vondelpark helend en genezend. Zij ervaren het stadspark als een oase waar ze de „vunzige menschenveelheid” achter zich laten. Het is een „machtig natuurbrok” dat, zoals Peeters het formuleert, „gezond parkgenot” biedt als tegenstelling tot het ziekelijke stadsbestaan.

Lees ook de recensie van het boek van Norbert Peeters: Tweefrontenstrijd in de geliefde stadstuin

Nu we daar zo lopen temidden van de recreanten en sportbeoefenaars – overal in het park zijn bootcampers en zelfs boksende mensen druk bezig – is het nauwelijks voorstelbaar dat het park destijds een uitweg bood uit het stadse inferno. Dit idee brengt Peeters op de gedachte dat stad en park qua wildernis stuivertje hebben gewisseld: in de 20ste eeuw werd de veenwildernis omgetoverd tot een rijk natuurpark. Maar daar heeft nu de natuur al haar wildheid verloren en is de stad zelf een oord van wildernis geworden met alles wat bij ‘wild’ hoort: prostitutie, onkruid, vandalisme „en al die andere destructieve invloeden van de mens”. Volgens Peeters „hoort dat laatste ook bij natuur, want ik zie de mens niet als gescheiden van de natuur maar als onlosmakelijk ermee verbonden, als onderdeel dus van de natuur”.

Dat het Vondelpark, evenals het Bois de Boulogne in Parijs en Central Park in New York, midden in de stad ligt roept de gedachte op wat ‘echte natuur’ of ‘wildernis’ precies betekent. Maar de recreërende mens in het park waant zich wel degelijk in de natuur.

„Wat mij boeit is de relatie tussen mens, stad en natuur. In mijn visie is een park als het Vondelpark een geneesmiddel tegen het onmenselijke stadsbestaan, dat Goudsmit zo indringend beschrijft. Midden in de stad waan je je juist niet in de stad, dat is de illusie die het park schept.”

Als we aankomen aan de rand van het park, bij de tennisbanen van Festina en Kattenlaan, valt Peeters’ blik op de Japanse duizendknoop die hier welig tiert. Eerder ontdekte hij al een orchidee, gewoon langs de brede geasfalteerde fietsroute die de Amstelveenseweg verbindt met de Stadhouderskade. „Kijk, voor mij heeft dit méér met wildernis te maken, met de natuur die haar vrije loop krijgt, dan de zo benoemde en beoogde wilderniseilanden. Die orchidee is eerlijk, die is daar op eigen kracht gekomen.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.