Opinie

„Geheugen, spréék!”

Frits Abrahams

Op een zondagmorgen liep een echtpaar door de Amsterdamse Jordaan. De man was 75, de vrouw 78 jaar. „Eigenlijk een andere generatie”, was een standaardgrapje van de man. Zijn vrouw kon er tegen, het voordeel van langdurige relaties is dat je elkaars ironie accepteert.

Het liep tegen elf uur toen een man van een jaar of zestig, gekleed in zwarte broek en zwart overhemd, hun aan de overzijde van de straat tegemoetkwam.

„Zag je wie dat was?” vroeg de vrouw.

„Hij kwam me wel bekend voor”, zei de man, „maar ik heb niet goed opgelet.”

„Het was die bekende toneelregisseur, hoe heet hij ook weer?’”

„Je bedoelt die Vlaming?”

„Ja, kom…”

„Straks schiet het me wel te binnen.”

„Gek. Die man staat voortdurend in de krant, hij heeft ook in Zomergasten gezeten, maar toch kunnen we niet op zijn naam komen.”

„Over een kwartiertje weten we het wel weer”, zei de man.

Maar ’s avonds wisten ze het nog steeds niet. „Ik kan het natuurlijk op internet even opzoeken, maar dat verdom ik”, zei de man, een koppig type. „Dit moeten we ons zelfstandig herinneren, wat zullen we nou krijgen?”

Zijn vrouw maakte er niet zo’n principieel punt van, maar ze zei wel plagerig: „Jij zou het behoren te weten. Hij is nota bene van dezelfde generatie als die bekende acteur die jij destijds in de kroeg ontmoette en met wie je toen bijna dronken werd.”

„Klopt”, zei de man.

„Waar heb je het toen al die uren met die acteur trouwens over gehad?”

„Totáál vergeten”, zei de man. „Behalve één zin. Op een gegeven moment wees hij op mijn trouwring en zei: ‘Jij moet die ring afdoen.’”

„Waarom zei hij dat?”

„Weet ik veel. Ik denk dat hij het maar burgerlijk vond.”

„Wat was jouw reactie?”

„Ik weet het niet meer. Ons geheugen werkt niet op commando, het doet maar wat. Je praat uren met iemand en je houdt er één zinnetje aan over, en daar mag je nog blij mee zijn want meestal vergeet je álles.”

„Zoals de naam van die regisseur die we in de Jordaan zagen.”

„Maar dat weet ik morgen wel weer”, zei hij.

Helaas, drie dagen later moesten ze elkaar bekennen dat ze de naam nog steeds niet wisten.

„Hij is nog wereldberoemd geworden met een musical over David Bowie, waar jij niet naartoe wilde omdat je nooit veel om Bowie gegeven hebt”, zei de vrouw.

„We komen nu wel heel dichtbij”, zei de man verheugd. „We hebben van hem jaren eerder ook nog Angels in America gezien, dat bejubelde toneelstuk dat vijf uur duurde, maar waar wij na drie uur uitgeput uit wegliepen. Verdomme, geheugen spréék!”

„Dat hij dat ook geregisseerd heeft, wist ik al niet meer”, zei de vrouw.

„Toch kom ik niet op zijn naam”, zei de man, bijna wanhopig.

Zo bleef het. Tot hij twee dagen later een kunstpagina van de krant opsloeg en de naam onopvallend vermeld zag. Hij schreeuwde de naam naar zijn vrouw, die in een andere kamer zat. „Ja! Ja!” riep ze uitgelaten.

Ze vierden het alsof ze een overwinning op hun sterfelijkheid hadden behaald – wat niet zo was.