Recensie

Recensie Muziek

Bij Gardiner wervelt een warme KCO-knuffel je tegemoet

Met dirigent Sir John Eliot Gardiner wil het Concertgebouworkest Brahms’ vier symfonieën herontdekken in het licht van zijn andere werk. Koorwerk voorafgaand aan zijn Eerste bewijst: goed idee.

Archieffoto dirigent Sir John Eliot Gardiner (2007)
Archieffoto dirigent Sir John Eliot Gardiner (2007) Foto Frank van Rossum

Het Concertgebouworkest houdt dit en volgend seizoen een ‘Brahms-cyclus’: Johannes Brahms’ vier symfonieën onder leiding van Sir John Eliot Gardiner, die daarbij in zijn oren bijpassend werk van Brahms zoekt. Doel: Brahms opnieuw leren kennen. De Eerste symfonie voorafgegaan door koorwerken maakt duidelijk dat dat een reuzegoed idee is.

Voor de koorstukken nam Gardiner zijn vermaarde Monteverdi Choir mee, een koor gewend om plafonds van kathedralen stofvrij te zingen. Vrouwen en mannen staan aan weerszijden van het podium, toch vormen ze een mystieke eenheid die je in Nederland niet snel hoort. Het Geistliches Lied – Gardiner orkestreerde de orgelbegeleiding zelf – wordt het betoverende hoogtepunt; het lijkt wel of een fysieke volumeknop open- en dichtdraait, zo rond zijn de dynamische pieken en dalen.

Wat het koor in de andere stukken mist is een mespuntje gemoedelijkheid. Dat vult het begeleidende KCO gelukkig goed aan.

Met Britse beleefdheid wacht de 78-jarige Gardiner op een generatiegenoot in het publiek die voor de tweede helft van de avond moeizaam de grote trap afdaalt naar zijn plek. Du moment dat billen en pluche contact maken, zet Gardiner donderend Brahms’ Eerste symfonie in. De stevige, warme KCO-knuffel wervelt je tegemoet.

Dempgebaren

Aan elk begin van het terugkerende thema in het eerste deel schuift Gardiner de muziek als een harmonica een beetje in elkaar; de instrumentgroepen buitelen als roepende stemmen knap gecoördineerd over elkaar met het effect van een sprint zonder werkelijk veel te versnellen. Puntje-van-je-stoel-werk.

Toch, die warme knuffel die het KCO geeft is heerlijk in het eerste en laatste deel, maar in de middendelen knelt het. Het orkest – enthousiast vanwege zoveel publiek? – blíjft maar knuffelen. Het tweede deel contrasteert in intensiteit nauwelijks met het eerste, waardoor de zeggingskracht afzwakt. Gardiners verwoede dempgebaren zakken tot zowat naast zijn knieën in een poging om de strijkers zachter te krijgen, maar ze zijn ontembaar.