Opinie

Achter de bergen ligt geen huis

Wooncrisis ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.’ En dat is maar goed ook, want een huis bemachtigen is er niet meer bij, constateren en .
Illustratie Olf de Bruin

‘Ze moesten inderdaad gaan, ik had het gezien/ aan hun gezichten die langzaam veranderden/ van die van kinderen in die van vrienden,/ van die van vroeger in die van nu.’ ‘Vertrek van dochters’, een klassiek geworden gedicht van Rutger Kopland, toont een afscheidsscene: de kinderen, volwassen geworden, vliegen uit. Ze worden nagekeken door hun ouders. Er is trots vermengd met weemoed, er is opluchting vermengd met angst – daar gaan ze dan, de wijde wereld in. Jarenlang zullen lezers instemmend hebben geknikt: och ja, zo is het, zo voelt het precies. Poëzie die zo herkenbaar is gaat vaak lang mee. Maar zelfs een evergreen kan vroeg of laat door de tijd worden aangevreten. Vertrek van dochters? Uitzwaaien? Was het maar waar. Tienduizenden ouders weten inmiddels: ze moesten inderdaad gaan, maar ze gingen niet.

De wooncrisis, waaraan al heel wat uiteenlopende analyses geweid zijn, roept bij politici en beleidsmakers nog dagelijks ferme oneliners op die de complexiteit van het probleem verhullen en woningzoekenden tegen elkaar uitspelen. De één roept ‘bouwen, bouwen, bouwen’, de ander beweert dat het allemaal aan de immigratie ligt. Buitenlandse investeerders of Hollandse pandjesbazen die enorme hoeveelheden woningen wegkapen en veel te duur verhuren – met een tijdelijk contract natuurlijk – worden ook vaak genoemd. Dan wijst iemand weer naar de zogeheten scheefwoners; als die nou eens in beweging zouden komen, dan was het probleem snel opgelost. Economen roepen al enige tijd dat het vooral een grote geldbubbel is die op knappen staat. En kijk naar de absurd lage rente, dáár zit de oplossing.

Ondertussen, dat tonen onder meer de woonprotesten aan, begint duidelijk te worden dat deze crisis ons vroeg of laat allemaal zal raken en dat het aanwijzen van één schuldige geen recht doet aan de complexiteit van het probleem. We zwemmen met z’n allen een fuik in. Sommigen, die er net binnen komen, menen dat het nog best te doen is. Ze kijken aandachtig rond; het lijkt ruim genoeg, volop mogelijkheden om straks weer om te keren. Maar wie al verderop zwemt, een stuk dieper de fuik in, ziet dat de route doodloopt. Natuurlijk zijn er nog altijd mensen die geloven dat zij zullen ontkomen. Sterker nog, dat zij zich niet eens in het water bevinden. Het wordt met de dag twijfelachtiger of dat geloof intact zal blijven. Willem van Toorn noteert in zijn gedicht ‘Nieuwbouw’: ‘Op een avond, vroeger of later,/ als we ons lichaam zien/ is het zover: vinnen, water -/ vingers. De eerste kieuw.’ Verse vissen bij de ingang van de fuik pik je er overigens zo uit: hun ogen glanzen nog van hoop.

Een woning is geen privilege, het is een diep menselijke behoefte. Niet voor niets is het recht daarop verankerd in artikel 22 van de Grondwet: „Voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.” En niet voor niets keert het onderwerp in de poëzie vaak terug. Een woning biedt geborgenheid, onderdak, een binnen om te schuilen voor de buitenwereld. ‘Ik heb altijd al rond horen zingen/ waar jouw verblijf is: achter de bergen./ Ga naar huis poëzie, en neem mij mee.’ Zoals de dichter H.H. ter Balkt over het huis van de poëzie droomde, zo dromen honderdduizenden Nederlanders over een huis van steen. Een betaalbaar huis, een huis dat groot genoeg is, een huis in de buurt van school, werk of de kinderen, een huis met of juist zonder huisgenoten.

Lees ook: De bank is schuldig, niet de vastgoedhandelaarr

‘Behoud de begeerte’

Maar de bergen waarachter dat huis ligt worden steeds hoger – en je droom, gebaseerd op een primaire levensbehoefte, lijkt gaandeweg wel een kinderboek dat ongeloofwaardig afsteekt bij de verhalen van verstandige volwassenen die er op tijd bij waren. Je zou immers een reis terug in de tijd moeten maken om het huis te vinden waar je naar zoekt en vooral om het te kunnen betalen. ‘Behoud de begeerte’, schrijft Hugo Claus. En: ‘Verwacht dag en nacht/ maar vergeet de vrees die je was. Betaal geen rente voor je gedrag.’ Die laatste regel blijkt nog niet zo makkelijk op te volgen. Woonwensen, hoe bescheiden ook, zijn al bijna beschamend of potsierlijk geworden. Zoals een makelaar onlangs opmerkte: „In deze markt kun je lekkage verkopen als lifestyle.”

Natuurlijk, je kunt nog altijd op Funda kijken en wegdromen bij mooie plaatjes van opgeruimde kamers – maar daar blijft het ook bij. ‘Komt u maar binnen. Hier/ is dus de hal. Hier hangen/ alle jassen. Voor als het/ winter is, voor als ze passen’, schreef Joke van Leeuwen in haar gedicht ‘Bezichtiging’. Wie tegenwoordig überhaupt de kans krijgt een woning van binnen te zien, een zeldzaam gelukje, wordt in tien minuten door het huis gejaagd, moet binnen een half uur een bod uitbrengen en krijgt uiteraard geen tijd voor lastige funderingsvraagstukken of bouwtechnisch onderzoek. Wie kan bieden, ver boven de vraagprijs natuurlijk, krijgt vrijwel altijd hetzelfde bericht: iemand met diepere zakken bood duizelingwekkend veel meer. En hoewel je wéét dat het absurd is, wakkert het de hunkering verder aan. Er is geen tijd te verliezen, gooi alle voorzichtigheid overboord. ‘Er is een woord voor zo’n besluit’ heet een gedicht van Neeltje van Beveren dat eindigt met de woorden: ‘Hak liever de verkeerde knoop door/ dan dat je zitten blijft/ in de juiste.’

Aan de onderkant van de woningmarkt is de sociale huursector tot op zijn geraamte uitgekleed en worden de rechten van huurders steeds vaker aangetast. ‘Van de mensen die hier leefden/ kleeft alleen behang nog aan de/ lange metershoge wanden’, schreef Neeltje Maria Min over een huis dat gesloopt wordt. De oude Rotterdamse Tweebosbuurt onderging dit lot om plaats te maken voor duurdere huurhuizen en koopwoningen. Sociale huurders moesten hun vertrouwde buurt verlaten, op zoek naar kleiner en duurder. Zelfs de VN spraken er schande van. Sociale cohesie in een wijk kent geen plek in de rendementsgedachte. Velen kunnen alleen tijdelijk huren: een container of een jongerenflat. De stad wordt langzaam een exclusief oord voor kapitaalkrachtigen en de rest mag erheen reizen vanuit de periferie, om de kinderen te zien, om diezelfde kinderen les te geven, zieken te verplegen, in winkels te werken.

Lees ook: Betaalbare huurwoning? Dat kan geregeld worden

‘Nomadenhol’

Maar deze wooncrisis gaat al lang niet meer alleen over arm of rijk, kopen of huren, stad of platteland; onder alle verschillen ligt de gemeenschappelijke angst klem te zitten en het gemeenschappelijk verlangen naar bewegingsvrijheid. Dat wordt steeds beter zichtbaar. Vissen die nu nog rondzwemmen kunnen de vangst van morgen blijken; kinderen groeien op, behoeften veranderen, lichamen kunnen het begeven, banen verdwijnen. Als een relatie op de klippen loopt is er, naast al het andere leed, ook direct een woonprobleem. ‘Een kind verscheurd tussen het grote bakstenen/ huis van zijn vader en het nomadenhol van mijzelf’, aldus Marije Langelaar over het kind wiens moeder ‘snakkend naar adem’ haar huwelijk ontvluchtte. Twee huizen, desnoods twee ‘nomadenholen’, liefst bij elkaar in de buurt vanwege de kinderen, zijn zo goed als onvindbaar of volstrekt onbetaalbaar. Het leidt in de praktijk tot dramatische situaties, met alle risico’s en kosten van dien. ‘Passende woonruimte’ zou een probaat middel zijn tegen een stortvloed aan kwalen, maar is nergens verkrijgbaar.

Deze wooncrisis gaat over ‘scheefwoners’ die niets meer recht kunnen zetten, over routes die zijn afgesneden, over de ‘gelukkigen’ die een huis hebben weten te bemachtigen en daar al hun spaargeld in hebben moeten steken, over stellen die hun kinderwens op de lange baan schuiven, over beleggers die een financiële strop vrezen, over familiestructuren die worden opgebroken, over ouderschap dat praktisch onmogelijk wordt gemaakt, over een pensioen van wankele bakstenen, over leven en werken, over hoop, dromen, groei en gezondheid – over alle zaken kortom die menselijk en wezenlijk zijn. Je hoort politici, ondanks de oplopende problematiek, nog altijd weinig over die wezenlijke kant spreken, laat staan in een taal die recht doet aan de zoekende mens; steeds klinken de cijfers, statistieken, percentages en rendementen.

Terwijl de fuik waar we massaal in terecht zijn gekomen is gemáákt van beleid; een beleid van jarenlang langzaam terugschroeven van ademruimte en beweeglijkheid. Een beleid van maatregelen die het probleem vergroten en oplossingen die geen oplossingen zijn. Een beleid dat verschillen vergroot en mensen tegen elkaar opzet. Het is deze verdeel-en-heers-strategie die massaal protest lang heeft voorkomen; zolang woningzoekers elkáár bleven aankijken, bleven de verantwoordelijken buiten beeld. Er lijkt nu een keerpunt te zijn bereikt. De oneliners, het cijfergekletter, de simplificaties en de beschuldigingen zullen ongetwijfeld nog vaak over ons worden uitgestort – maar woningzoekers tot wie de situatie in volle omvang door is gedrongen zullen daar weinig vertrouwen uit putten, laat staan enige troost. Wij weten inmiddels beter, zij aan zij in dezelfde fuik. Gelukkig hebben we de dichters nog, op hun snel-krimpende zolderkamers. ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’, luidt de beroemde regel van Slauerhoff. ‘Nooit vond ik ergens anders onderdak.’ Sommige klassiekers, kunnen we constateren, worden er alleen maar actueler op.