Recensie

Recensie Boeken

Een groots katholiek geheim (●●●●)

Kerkgeschiedenis In de jaren twintig van de vorige eeuw denkt Janske Gorissen dat ze Maria ziet. De pastoor gelooft het, en de bisschop ook. Jaren later wordt deze bizarre geschiedenis eindelijk ontrafeld.

Fotoserie van Janske Gorissen en pastoor Adriaan Ermen in de studio van J.M. Mertens in Antwerpen, ca 1939.
Fotoserie van Janske Gorissen en pastoor Adriaan Ermen in de studio van J.M. Mertens in Antwerpen, ca 1939. Bisdom Breda, Geheim Archief Welberg

Seks, saunabezoek met een bisschop, een kluis met bebloede lakens. Vurige liefde van Peter Jan Margry bevat volop ingrediënten voor een spannend verhaal. Een verhaal dat veel vertelt over de katholieke kerk in de twintigste eeuw en, meer algemeen, over geloven in een moderne samenleving – ook nu.

Zelden zal de opkomst en ondergang van een sekte zo minutieus beschreven zijn, een sekte binnen de katholieke kerk. Want zo kun je de cultus rond Johanna ‘Janske’ Gorissen uit het West-Brabantse Welberg wel omschrijven. Eind jaren dertig van de vorige eeuw leek Welberg goed op weg een Nederlands Lourdes te worden, met Janske als stralend middelpunt. Historicus Peter Jan Margry (1956), hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, kreeg toegang tot uniek archiefmateriaal dat hem in staat stelde ‘één van de grootste geheimen van de katholieke kerk in Nederland’ te ontrafelen.

Bij haar geboorte in 1906 lijkt Janske Gorissen niet voorbestemd voor een grootse toekomst. Ze is een ‘zevendemaandskindje’ uit een arm gezin. Janske is klein, niet langer dan 1,5 meter en ze zal nooit meer dan 35 kilo wegen. Op 18-jarige leeftijd krijgt ze tbc. Rond die tijd meent ze ook voor het eerst Jezus te zien. Het is het begin van een lange reeks mystieke verschijnselen: ze ziet ook engelen, de duivel (die haar zo’n beetje aanrandt) en vooral Maria. Elke vrijdag krijgt ze stigmata (wonden op het lichaam, op de plekken waar Jezus aan het kruis genageld werd). Tenminste, dat gelooft een kliekje geestelijken dat zich rond haar vormt.

Centrale figuur in dat kliekje is Adriaan Ermen, de pastoor van Welberg, een plaatsje met zo’n 1500 inwoners. Ermen gelooft dat de ervaringen van Janske authentiek zijn. Hij voorziet haar van literatuur over ‘lijdensvrouwen’ als Lidwina van Schiedam (1380-1433) en Theresia van Lisieux (1873-1897).

Stigmatisatie

In de negentiende eeuw raakt Europa steeds meer in de ban van de mystiek, door Margry omschreven als ‘het intens persoonlijke streven van eenwording met God én de individuele ervaring daarvan’. De periode 1800-1950 is ‘de gouden eeuw van de stigmatisatie’, met 245 gedocumenteerde gevallen. Door kopieergedrag ontstaat er ‘een mondiale familie van stigmatici’.

Aan Nederland gaat deze beweging lange tijd voorbij. In het overwegend protestantse Nederland zitten de katholieken nog in een emancipatieproces. Ze weten dat protestanten niks moeten hebben van hun devotiecultuur en daarom houden ze zich een beetje gedeisd.

De literatuur die Ermen aan Janske geeft, voedt ‘de ontwikkeling van haar nieuwe spiritueel-mystiek universum en haar fantasie’. En dan volgt een fascinerende passage – zeker voor de lezer die niet-katholiek opgevoed is:

‘In die literatuur, en vanaf 1927 eveneens op de katholieke radio-omroep, wordt ook regelmatig gewezen op de gevaren die de katholieke samenleving bedreigen: modernisme, marxisme, secularisatie en materialisme. Volgens het ziekenpastoraat konden zieken met hun lijden en gebed helpen om die kwaden te keren. Met het inschrijvingsbewijs van het ziekenapostolaat bevestigt elk nieuw lid dat hij of zij als zieke bereid is het werk van het geloof “door Jesus lijden begonnen” te “voltooien in mijn lijden”. Chronisch zieken, zoals Janske, ontvangen vervolgens elke maand geselecteerde teksten in de vorm van Maandbrieven. In de jaren dertig krijgen zo’n negenduizend Nederlandse langdurig zieken deze maandbrieven in de bus.’ Lijden voor een betere wereld dus.

Stromingenstrijd

‘Welberg’ is de perfecte casus voor een les geschiedenis van de katholieke kerk in de twintigste eeuw, want er komt veel samen in dit verhaal. Margry vertelt dat verhaal niet alleen met onnoemelijk veel details, hij biedt ook ruim context. Op de achtergrond speelt een stromingenstrijd binnen de kerk, tussen de aanhangers van een meer theologisch, intellectueel geloof, die vinden dat priesters hoger moeten worden opgeleid, en geestelijken die een meer gevoelsmatig geloof voorstaan en vinden dat priesters vooral ‘kind’ moeten blijven. De terminologie die de kliek rond Janske (‘het clubke’) hanteert, past in de laatste stroming. Pastoor Ermen is ‘vaderke’, Maria is ‘moederke’ en Janske is het ‘bruidje van Jezus’.

De eerste jaren zijn het vooral geestelijken die Janske bezoeken. Velen van hen worstelen met het celibaat en Janske pretendeert hen op het rechte pad te kunnen houden. Maar gaandeweg groeit Welberg uit tot een bedevaartsoord voor een breder publiek. Dat het dorpje in 1936 door de opening van de Moerdijkbrug wordt ontsloten, helpt daarbij.

Hoofdrollen zijn er ook voor twee bisschoppen. Bisschop Hopmans van Breda, die besluiteloos is en het allemaal laat gebeuren. En bisschop Lemmens van Roermond, die ook in de ban raakt van Janske en toetreedt tot ‘het clubke’.

Dure cadeaus

Het gaat er gezellig aan toe in dat clubje. Ze gaan winkelen in Antwerpen, bezoeken een fotograaf in Brussel voor een fotoshoot, bekijken de rotsen in Dinant. Janske krijgt dure cadeaus: een bontmantel, een armband met diamanten, een gouden kroon. De roem stijgt haar langzaam naar het hoofd. ‘Als zij in een tijdschrift foto’s ziet van de mooie mantel van koningin Astrid van België zegt zij pruilend dat het bruidje als geprivilegieerde van de hemel, een nog mooiere mantel verdient.’

Vurige liefde is ook een verhaal over stad en platteland. Pastoor Ermen kan jarenlang zijn gang gaan, ondanks twijfels van lokale geestelijken. Het bisdom grijpt niet in. Pas als de Amsterdamse consultor Jos Drehmanns een brief stuurt aan het Heilige Officie in Rome wordt er een onderzoek geopend. Het Officie is de waakhond van het Vaticaan, consultoren zijn de ogen en oren van wat ooit de Inquisitie heette. Het onderzoek sleept jaren voort, onder meer doordat er een wereldoorlog tussen komt, maar in 1950 is er dan eindelijk een oordeel: de verschijningen zijn nep.

‘Bewijsstukken’

Aan het begin van de eeuw ontmoet Peter Jan Margry in Rome Tiny Muskens, bisschop van Breda van 1994 tot 2007. Ze ontwikkelen een persoonlijke band (en belanden in een sauna) en door tussenkomst van Muskens krijgt Margry toegang tot de Welberg- archieven. In een kluis van het bisdom blijken niet alleen ‘bewijsstukken’ van Janske te zijn bewaard, zoals lakens met bloedvlekken en halfverbrande boeken (het vermeende werk van de duivel), maar ook documenten die het hart van iedere historicus sneller zouden doen kloppen. Zoals een 400 pagina’s tellend verslag dat pastoor Ermen heeft bijgehouden van 1929 tot 1946. Janske en Ermen blijken het zelf niet zo nauw te hebben genomen met de kuisheidsgelofte. Ze hadden regelmatig seks in de biechtstoel van de pastoor.

In 1960 overlijdt Janske op 53-jarige leeftijd. Maar de pelgrims blijven nog jaren komen en er worden verschillende pogingen gedaan de cultus nieuw leven in te blazen. Anno 2021 is er weinig van over. Maar, besluit Margry, de katholieke kerk blijft ambivalent ten aanzien van dit soort verschijnselen. In tijden van secularisatie kan de kerk de aantrekkingskracht van mystiek niet geheel negeren. Mariaverschijningen worden gekoesterd als ‘missioneringsinstrument’, zie bijvoorbeeld Amsterdam (‘de Vrouwe van Alle Volkeren’) en Medjugorje in Bosnië-Herzegovina. Het is ‘lood om oud ijzer’, stelt Margry, welk geval erkend wordt en welk niet. ‘Tegen dat licht bezien kan men wachten op een pressuregroup die de rehabilitatie van Janske Gorissen weer op zich neemt, voor een straatnaam of wat dan ook’.

Janske is begraven in een zinken kist, om het verval te remmen. Als het ooit toch tot een kerkelijke erkenning komt dan zijn de relieken makkelijk te recupereren.