Persoonlijk en vertrouwelijk

Oorlogsdagboek Liedjesschrijver Koos Speenhoff blijkt ook een vergeten prozaschrijver, ziet in diens nagelaten typoscript.
Fragment uit het oorlogsdagboek van liedjesschrijver Koos Speenhoff.
Fragment uit het oorlogsdagboek van liedjesschrijver Koos Speenhoff.

Het eerste slachtoffer dat door Koos Speenhoff op straat werd aangetroffen, toen hij op 16 mei 1940 in het pas gebombardeerde Rotterdam arriveerde, was een poesje. Het lag naast een schoen. „Een dood katje”, noteerde hij. „Alleen en onaanzienlijk. Het lag op de linkerzijde met de pootjes keurig naast elkaar als verontschuldiging voor haar dood en haar povere houding.” Lang kon hij niet bij dit tafereeltje stil blijven staan. Even verderop zag hij wat er nog restte van de burelen van het Rotterdamsch Nieuwsblad – „een ruïne die me zeer ernstig ontstelde”. En daarna trof hem ook wat er was overgebleven van de aloude Laurenskerk: „In een mistig licht van puinstof die geblakerde toren! Hoe eerbiedwaardig en armoedig. Droeve lieveling waarvan de groen-wit-groene vlag zo kon stralen.”

Speenhoff stierf op 3 maart 1945, als slachtoffer van een geallieerd bombardement. Waarom zijn oorlogsdagboek in de bezettingsjaren nooit is verschenen, staat niet vast. Misschien wilde men tijdens de oorlog liever niet over de oorlog lezen. Of misschien was het veel te realistisch om door de bezetters voor publicatie te worden toegelaten. En dus wist niemand dat het bestond.

Totdat kleinkunstkenner Jacques Klöters het typoscript – in totaal 74 getypte velletjes – aantrof in het Literatuurmuseum in Den Haag. Hij was op zoek naar autobiografisch proza van de vooral als liedjesschrijver (‘Daar komen de schutters’) bekende Speenhoff, om daaruit een bundel samen te stellen.

Fragment uit het oorlogsdagboek van liedjesschrijver Koos Speenhoff.

J.H. Speenhoff (1869-1945) was een toegewijd Rotterdammer, maar hij woonde al geruime tijd op stand in Scheveningen. Daar begon hij op 10 mei 1940 een dagboek bij te houden. „Ik sliep”, luidden zijn eerste woorden, „en werd met een rilling in mijn scalp wakker, want mijn wederhelft gilde iets naar mij toe in het oosten van onze zolder waar we overnachtten. Ik hoorde haar roepen dat er geschoten werd.” En dat werd de aanzet tot een levendig relaas over de chaotische gebeurtenissen na de Duitse inval – tot en met de capitulatie, die volgens Speenhoff al veel eerder afgekondigd had moeten worden. Verder bloedvergieten leek hem zinloos: „We konden het niet bolwerken tegen zulk een overmacht van een miljoen soldaten…”

Een paar dagen later zette Speenhoff zich aan de schrijfmachine om zijn aantekeningen uit te werken tot een boek in dagboekvorm. Tien dagen later, op 2 juni 1940, was hij klaar. Intussen was hij naar zijn zeggen zes kilo afgevallen en had tevens zijn slaap en eetlust verloren. „Het is nogal persoonlijk en vertrouwelijk”, schreef hij tot besluit, „maar dat past bij het dadelijke, het onmiddellijke. Een boek schrijven is een werk voor een slaaf. Ik denk dan ook dat ik het nimmer weer doe.”

„Ik vind dat Speenhoff ten onrechte is vergeten als prozaïst”, zegt Klöters. „Hij schreef in een heel persoonlijke, eigenaardige stijl, met een bijzondere woordkeus en verrassende neologismen. Het wordt tijd om hem weer in de aandacht te brengen.”

Speenhoffs oorlogsdagboek verscheen in een bibliofiele uitgave van driehonderd exemplaren: Zeven dagen oorlog. Statenhofpers, € 69,50