Opinie

Ongemak

Marcel van Roosmalen

Toen we in de Efteling waren, werden we in het witte restaurant aan het water bediend door een serveerster van ongeveer een meter hoog. Een vriendelijke vrouw, die gedisciplineerd doorging met het opnemen van bestellingen terwijl Leah van Roosmalen (4) haar over de rug streelde.

„Kijk dan papa”, fluisterde ze naar mij. „Een elfje!”

Ik probeerde haar af te leiden door over appeltaart te beginnen, een onhandige move.

„Kijk eens wat een lekkere stukken taart in die vitrine, hmm.”

Averechts effect.

Nu wilde Lucie van Roosmalen (6) opeens taart.

De vriendin, die Frida van Roosmalen (0) wilde voeden, reageerde geagiteerd vanachter een gordijn op het woord ‘taart’.

„Hoezo taart? We blijven aan de gang.”

Leah van Roosmalen bleef maar staren naar de serveerster.

„Kijk dan toch, papa”, fluisterde ze. „Och wat een schatje. Ze heeft haar vleugeltjes afgedaan.”

De vrouw noteerde een dubbele espresso, twee ranja en een muntthee.

„En een worstenbroodje”, hoorde ik mezelf zeggen, zo vaak waren we nou ook weer niet in Brabant.

„Dan moet u dat zelf gaan halen in de zelfbediening”, zei de serveerster. „Corona…”

„Laat maar”, zei ik.

„Geen probleem, meneer...”

En weg was ze.

„Naar haar holletje”, zei Leah van Roosmalen. „Lekker naar haar holletje. Lekker peuzelen.”

Toen ze uit beeld was, riep ze heel hard dat er een elfje aan tafel was geweest. „Dat was geen elfje”, verbeterde Lucie van Roosmalen. „Dat was een dwergje. Toch papa?”

„Gewoon een klein mens”, zei papa. „Geen elfje, ook geen dwerg.”

„Kabouters hebben een baard”, zei Leah van Roosmalen.

„Het is ook geen elfje”, zei Lucie van Roosmalen. „Ze heeft niet eens vleugels.”

De consumpties werden gebracht.

„Ze komt weer naar ons toe!”, riep Leah van Roosmalen, met haast overslaande stem.

„Gewoon een kleine mevrouw”, herhaalde ik.

Leah van Roosmalen legde een vinger op haar lip, knikte vriendelijk naar de vrouw en kon zich daarna niet meer beheersen. Ze stond op, wees naar de plantenbak en zei: „Daar zijn je vriendjes, je moet onder de blaadjes kijken!”

De gebeurtenis verdween in het collectieve geheugen en kwam weer tevoorschijn toen een goede vriendin vorige week aan onze keukentafel zat. Ze deed verslag van een bezoek aan de Efteling. Haar zoontje had ‘kabouter’ naar een kleine serveerster in een restaurant geroepen. Ze was „door de grond gezakt” en had daarna excuses aangeboden.

Honderdduizenden bezoekers per jaar, waarvan de helft minderjarig, op loopafstand van een sprookjesbos en dan stoïcijns blijven glimlachen, dan ben je een hele grote.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.