Analyse

Leve de miljardairs die spannende kunst kopen

Wereldkunst #20 Wat doen miljardairverzamelaars met hun geld? Ze bouwen hun eigen musea. Wat maakt het LUMA van Maja Hoffmann zoveel interessanter dan La Bourse van François Pinault?

Museum LUMA in Arles.
Museum LUMA in Arles. Foto Iwan Baan/

Als ik wat geld had, zeg een miljard of vijftig, dan gaf ik een deel daarvan vast wel uit aan kunst. Maar wat zou ik kopen? En wat zou ik vervolgens met al die kunstwerken doen? Dat vraag ik me soms af, niet omdat ik nog wat miljarden heb liggen, maar omdat er de laatste jaren aan de lopende band musea voor hedendaagse kunst worden opgericht, gebaseerd op de collectie van rijke privéverzamelaars.

Alleen al deze lente opende in Arles het LUMA van Maja Hoffmann (geschat op zo’n 7 miljard) en in Parijs La Bourse van François Pinault (inderdaad: 50 miljard). Hun musea lijken in veel opzichten op elkaar. Allebei zijn ze gehuisvest in een opvallend gebouw waaraan een mondiale ster-architect meewerkte (Tadao Ando in Parijs, Frank Gehry in Arles) en voor hun collectie putten ze voor een groot deel uit dezelfde hiplijst van honderd internationale kunstenaars, die weliswaar voortdurend verschuift, maar waarbij deze verzamelaars dan vrolijk mee verschuiven.

Enkele decennia geleden bijvoorbeeld kochten ze allemaal Sol Lewitt én Richard Serra én Dan Flavin. Daarna werden de ‘kunstenaars van dienst’ onder anderen Jeff Koons, Damien Hirst, Andreas Gursky, de Thomassen Ruff en Struth, Marlene Dumas en Luc Tuymans (liefst samen), Anish Kapoor, Ai Weiwei, Olafur Eliasson. En dan is er ook nog een speciale categorie van snoepjes van het jaar, specifieke kunstwerken die plotseling in alle museumcollecties tegelijk lijken op te duiken.

Smeltende beelden

Een paar jaar geleden waren dat bijvoorbeeld de glaswerken van Roni Horn: grote, ronde, pastelkleurige ‘pastilles’ van massief glas, aan de zijkant mat en helder aan de bovenkant, die zoveel op gestolde vloeistof lijken dat het bijna onmogelijk is ze niet aan te raken – wat vervolgens streng verboden is. Op een gegeven moment stonden Horns glasbakken in zoveel musea, dat ze wel een graadmeter van de artistieke tijdgeest moesten zijn. Was het hun zuurtjes-achtige verleiding? De spanning tussen vast en vloeibaar? De manier waarop het (door dure architect uitgekiende) licht erin leek te stollen? Vrolijke tijden waren dat, waarin verzamelaars nog onbekommerd kunstwerken als loodzware snoepjes door hun musea strooiden.

Dat die tijden sterk zijn veranderd, wordt gesymboliseerd door de hit van dit jaar: de zogenaamde ‘waswerken’ van de Zwitserse kunstenaar Urs Fischer, die zowel staan te pronken in La Boursse als het LUMA.

Die omschrijving ‘waswerk’ is trouwens verraderlijk. In beide musea is het pronkstuk een identieke was-kopie van Giambologna’s klassieke beeld De Roof van de Sabijnse Maagden (1579-1582) – perfect uitgevoerd, zes meter hoog en met als crux: een dik lont verticaal in het hart, waar aan het begin van de tentoonstelling de vlam in gaat. Daardoor smelten de Sabijnse Maagden gedurende de expositie traag en flakkerend weg – Fischers beeld is gewoon een enorme kaars.

In beide musea wordt het beeld omgeven door een groep kleinere kaarsen, onder andere een levensgroot beeld van de kunstenaar Rudolf Stingel (een vriend van Fischer), met daaromheen zeven ‘stoelen’ uit verschillende culturen – de leuningen liggen er al af, Stingels hoofd is weggesmolten. En inderdaad: het geheel druipt letterlijk van dubbelzinnigheid.

Kaarsvet

Aan de ene kant zijn Fischers beelden een eerbetoon aan technisch vakmanschap en aan de kunstgeschiedenis, maar ze verwijzen ook naar goedkope kaarsen uit toeristenwinkels, naar decadente rijke verzamelaars die het zich kunnen veroorloven kunstwerken te laten afbranden, en de willekeur en het machtsspel dat komt kijken bij de relatie tussen kunstenaar en verzamelaar. Want Fischers beelden mogen dan smelten, de verzamelaars kunnen ook tot het einde der dagen nieuwe kopieën blijven bijbestellen – waarmee de status quo tóch wordt gehandhaafd.

Ondertussen vallen de stukken kaarsvet al brandend van de beelden en liggen ze bijna trots door de museumzalen verspreid – dat de toeschouwer een stuk op zijn of haar kop zou kunnen krijgen is ingecalculeerd.

Juist die dubbelzinnigheid, vooral ook over de rol van de verzamelaar, is de kern van Fischers beelden, die al stammen uit 2011, maar nu dus pas bij verzamelaars hun ‘doorbraak’ beleven. Daarbij is het goed om te bedenken dat verzamelaars zeker in deze hoeveelheid (in elke hoeveelheid, misschien wel) heel goed doordrongen zijn van de dubbelzinnigheid van hun werk: je hebt kunstwerken in een dergelijke hoeveelheid niet nodig om te overleven, ze maken het leven vooral interessanter en aangenamer, en voor die relatief overzichtelijke toegevoegde waarde geef je véél geld uit. Maar het feit dat je tegelijk kunstenaars en galeries en de hele artistieke infrastructuur steunt, houdt dat persoonlijke aspect mooi in balans – en precies op die balans lag in de publieke perceptie altijd de nadruk.

Profiteren

Nu de wereld in brand staat, systemen schuiven en rijkdom steeds vaker wordt gezien als teken dat je op een hoog niveau profiteert van het ‘oude systeem’, kom je er als verzamelaar bijna niet meer onderuit je van je eigen rol in dat systeem rekenschap te geven – al is het maar omdat de kritiek op de loer ligt dat je zo rijk bent geworden door maximaal van het bestaande systeem te profiteren.

Die toenemende verzamelaars-bewustwording wordt mooi zichtbaar als je eerst La Bourse bezoekt, dan het LUMA en daarna de persberichten leest over de nieuw geplande Hartwig Foundation op de Amsterdamse Zuidas – waarover later. In dit rijtje is La Bourse het meest klassieke privémuseum, door Pinault begonnen vanuit de dubbele behoefte om zowel zijn leven inhoudelijk te verrijken als om kunst te steunen. Om al snel te beseffen dat hij daarmee ook geld en status kan verdienen.

De Pinault-collectie (die ook is te zien in het Punta della Dogana en het Palazzo Grassi in Venetië) is een klassieke ‘boven-de-bankcollectie’, vooral gericht op objecten: schilderijen en beelden. Weinig video. Héél weinig performances. De Bourse is, net als Voorlinden in Nederland, zo’n museum waarin zowel verzamelaar als bezoeker zich thuis voelt – wat ongetwijfeld ook precies de reden is waarom beide musea zo’n succes zijn.

Museum Bourse de Commerce in Parijs/ Pinault Collection.

Foto Marc Domage

Alleen: zulke collecties weten niet goed raad met kunstwerken die niet huiselijk of bevestigend willen zijn – en die in deze tijd steeds belangrijker worden. En dat is precies wat Maja Hoffmanns LUMA zo interessant maakt. Haar familie, haar grootmoeder, Maja Stehlin om precies te zijn, begon als de klassieke ‘huiskamerverzamelaar’: in het LUMA wordt van die familietraditie getuigd door een enigszins schemerige, zeer museale zaal met klassiekers van Cy Twombly en Bruce Nauman. Maar Hoffmann gaat verder.

Dat begint met haar Gehry-gebouw, dat een fascinerende mix is van patserige imponeer-architectuur en een opvallend gebrek aan plooibaarheid: het gebouw is, zoals meestal bij Gehry, zo nadrukkelijk aanwezig dat het de kunst in de weg lijkt te zitten. Maar daardoor wordt het ook geen moment ‘gezellig’ – waarmee het LUMA zich nadrukkelijk van de meeste privécollecties onderscheidt.

Onbekend talent

Natuurlijk, ook Hoffmann heeft Mike Kelley, Paul McCartney en Christopher Wool en veel andere vaste waarden uit de verzamelaars-top-honderd, maar ze ruimt ook een gigantische zaal in voor een state-of-the art overzicht van Philippe Parenno, met perfect beeld en geluid, en geeft een enorme oude hal aan Pierre Huyghe voor de presentatie van een nieuwe versie van Umwelt: een complexe beelden- en video-installatie, die in de Londense Serpentine Gallery nog behoorlijk doodsloeg, maar hier een diepe indruk maakt.

Nog zo’n hal, maar dan hoog en wit en ruim, trekt Hoffmann uit voor perfecte presentaties van relatief onbekend talent als Kapwani Kiwanga en Jakob Kudsk Steensen, die in traditionele musea zelden op zo’n niveau kunnen gloriëren. Zo laat Hoffmann zien wat je kunt doen met de combinatie van geld en vrijheid: het tonen van werken die zo groot, complex en duur zijn dat traditionele musea er zelden de middelen voor hebben en die tegelijk de grenzen van het comfort opzoeken. Weg van de bank, op naar de wereld.

Dat is ook precies wat nieuwsgierig maakt aan het plan van de Hartwig Foundation voor een nieuw museum aan de Amsterdamse Zuidas. De Foundation is een initiatief van Rob Defares, een van de grootste verzamelaars van Nederland en toch maakte de stichting meteen bij aanvang al bekend dat er voor het museum niet uit zijn collectie geput zal worden. Dat lijkt krenterig, tot je beseft dat juist zo’n nieuw initiatief het museum uit de privéverzamelaarshuiskamer kan sleuren, en Amsterdam, naast het Stedelijk met z’n rijke maar ook beladen geschiedenis, een nieuw artistiek perspectief kan bieden, een volgende stap op het Pinault-Hoffmann-traject.

Dat is blijkbaar even wennen voor critici die zich gretig blijven vastklampen aan de oude verhalen en structuren – het is altijd even wennen, nieuwe ideeën. Mij lijkt zo’n ‘museum’ zonder collectie, dat nieuwe ideeën en initiatieven wil opstuwen en financieren geweldig – al is het maar omdat ik het LUMA zoveel prikkelender vond dan La Bourse, dat ondanks veel topwerken en een prachtige David Hammons-solo, op een vreemde manier stoffig aanvoelde.

Wat zou het mooi zijn als grote en rijke privéverzamelaars er op deze manier in slagen nieuwe museale perspectieven vorm te geven. Is dat geld toch nog ergens goed voor.