Opinie

De huilbui van Djokovic

Frits Abrahams

Het huilen van Novak Djokovic kreeg na de finale van de US Open bijna nog meer aandacht dan het winnen door Daniil Medvedev, zijn tegenstander. Maar was het wel zo bijzonder, dat huilen?

In algemene zin niet. Ook al is er nooit wetenschappelijk onderzoek naar gedaan, toch durf ik de stelling aan dat er veel meer in de topsport wordt gehuild dan pakweg vijftig jaar geleden. En niet alleen door de verliezers, maar ook door de winnaars. Ooit foto’s gezien van een huilende Fanny Blankers-Koen of Emil Zátopek na hun Olympische triomfen?

Tegenwoordig wordt er op de Olympische Spelen heel wat afgehuild. De Britse krant The Times betitelde de Spelen in het Londen van 2012 al als „The Crying Games”. Zestien procent van alle winnaars huilde toen op het podium, vooral de Britse winnaars.

Waarom dan nog opgekeken van een traantje bij Djokovic? Per slot van rekening heeft hij ook in dit opzicht voorbeeldige voorgangers. Meteen na zijn uitschakeling in de US Open van 2006 barstte Andre Agassi in snikken uit. Toen Theo Maassen in 2007 in een talkshow met dit fragment geconfronteerd werd, schamperde zei hij: „Daar hebben wij in Eindhoven een heel mooi woord voor... Homoseksualiteit!” (Een grap die hem nu kwalijker zou worden genomen dan toen.)

De beroemdste huilbui uit de tennisgeschiedenis komt op naam van Roger Federer. Hij stortte in 2009 compleet in nadat hij de beslissende vijfde set van de finale van de Australian Open tegen Rafael Nadal had verloren. „God, it’s killing me”, zuchtte hij voordat hij minutenlang onbedaarlijk op de baan begon te snikken.

Ook Djokovic plengde al eerder hete tranen op de baan. Dat was nadat hij in de eerste ronde van de Olympische Spelen in Rio van 2016 van de Argentijn Juan Martín del Potro had verloren. Toch was er zondag in New York méér met hem aan de hand. Hij deed iets wat ik nog nooit een toptennisser heb zien doen: in huilen uitbarsten tijdens de partij. Tegen het einde zat hij op zijn stoeltje te snikken in zijn handdoek. Bij het begin van de daaropvolgende, laatste game stonden de tranen nog in zijn ogen.

Ik vermoed dat hij vooral ontroerd raakte door de steun van het publiek, dat vroeger in New York altijd tegen hem was; Federer en Nadal waren nu eenmaal veel populairder. Maar opeens was hij, de grote Djokovic, zelf de underdog geworden en schaarde het publiek zich massaal achter hem. Ook in zijn toespraak na afloop wees hij erop hoezeer hem dat geraakt had.

Het openlijk tonen van emoties beperkt zich niet tot de sport. Ontroering is populair, want ontroering genereert ontroering. Vooral op tv zie je hoe programmamakers naar de ontroering toe werken met gerichte vragen en close-ups; tranen zijn goed voor de kijkcijfers.

Dat hoeft ontroering nog niet bij voorbaat verdacht te maken, maar enige reserve is wel nodig om te voorkomen dat we voortdurend de ontroering in gemanipuleerd worden. Het gevolg zou kunnen zijn dat we geen traan meer geloven en op z’n Eindhovens „homoseksueel” noemen. Dat hebben de Djokovics, Agassi’s en Federers van de topsport niet verdiend. Ik geloof in hun tranen. De topsport van nu is niet te vergelijken met die van vroeger. Ja, zij worden in goud betaald, maar wie zou de stress en de eindeloze trainingsarbeid kunnen verdragen waarmee zij dagelijks omgaan?