Poezelige handjes

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 51: de Noordzeegarnaal.

Dagboek van een visser

Zonder enige kennis van goed en kwaad springt het schepseltje vrolijk tussen je vingers en tenen. Het snoezigste diertje uit onze Noordzee is ongetwijfeld het grijze garnaaltje. Bij eb en aflandige wind kan je ’m langs de kust goed scheppen. Koken in een pannetje zeewater, klodder Zaanse mayo en lepelen maar – met kop en jas, want pellen is een verzoeking. Vandaar die kant-en-klare bakjes bij de Super, die ik overigens ook graag en mateloos verorber, maar om andere redenen: de wetenschap dat het diertje ontkleed is door poezelige, hennageverfde handjes van misschien wel de mooiste meisjes van Marokko. Dan sluit ik m’n ogen en bij elke hap zie ik een door zon-en-zout gebronsd Atlantische meermin, de onschuld van ’n naakte vlinder, meegevoerd door het golvende ritme van gekuiste heupen, gekrulde wimpers vanonder ’n sluier, ’t garnalenbuikje… enfin, u begrijpt wel dat ik het dotje mayo niet mis.

Wat zegt u? U wist niet dat achter al die bakjes garnaal puur Marokkaans vrouwenzweet schuilgaat? Kijk, wij Hollanders vinden dat pellen inefficiënt gepriegel, wat ook zo is, dus delegeren we het fijntjes naar landen waar vrouwen zich zonder gemekker uitsloven voor een fooitje. Sinds jaar en dag voeren containers diepgevroren garnalen uit Oostende naar Tanger en weer terug.

Deze slavernij nieuwe stijl kon ik altijd ontveinzen, indachtig die poezelige hennahandjes. Tot deze zomer, toen ik het onzalige idee kreeg om met een Groningse garnalenkotter de Waddenzee op te stomen, toen verdween subiet alle hennahandjesromantiek.

Voor dag en dauw op Lauwersoog, vier zeebonken: kapitein, matroos, fotografe en ik. Koffie en taart in de mand. De lucht grauw, de golven klotsend tegen de boeg, ik gewapend met hengel en ’n scopolaminepleister achter ’t oor. Meteen zet een legioen meeuwen de achtervolging in als het eerste boomkorsleepnet neerzakt en over de bodem bulldozert. Paar uur later wordt de buit in grote bakken gelost. Duizenden vrolijk in ’t rond springende tienpotige harlekijntjes. Allemaal gaan ze door een stalen draaiklos, dan gesorteerd, schoongespoeld en tenslotte gekookt in zeewater tot mooie, roze modellen – hoogzwangere modellen, want stuk voor stuk blijken ze bomvol kuit. Pure embryo-moord, toch?

Het wordt erger, want gelijktijdig met de drie manden roze snoepgoed worden vier manden zilver en brons geoogst. Vier manden met duizenden babybotjes, babyscholletjes, babypijlstaartinktvisjes, babyharinkjes, babyansjovisjes, babymakreeltjes; platgedrukt, gestikt, gebeukt, morsdood, elk kleiner dan een postzegeltje. Zie hier de stille kraamkamers van ons genocidale geweten. Zie hier die hele ingenieuze miniatuurglorie die als ‘bijvangst’ klinisch overboord wordt gekieperd.

Op de terugweg, staand aan de boeg, kijk ik lang naar de horizon. Het ware leed speelt zich zelden af in het volle daglicht maar vaker in het diepe duister. Voor mij voortaan alleen nog maar het schepnetje.