Opinie

Gezichtsherkenning is het einde van de argeloosheid

Maxim Februari

Om een thuisstudio te maken zet ik een huishoudtrap midden in mijn slaapkamer. Ik hang er kleden en beddengoed overheen, leg een kussen op de grond en ga daarop zitten. Dan spreek ik op een telefoon een tekst in die ik straks naar een literaire organisatie zal sturen. Dat moet, want ik ben een spoken word-essayist geworden. Ik schrijf niet meer. Ik striem. Ik zoem.

Het schrift verdwijnt en het lichaam neemt de boel over: we zijn duidelijk op weg naar een neo-orale cultuur. Uitgevers laten hun uitgeverij in de steek om manager te worden en schrijvers verdwijnen in podcasts. Ze performen. Maar neem me niet kwalijk. Ik klink schor, laat ik nog snel een Emser keelpastille nemen. Wat denkt u, zal ik de huishoudtrap in mijn bed zetten om een warmer geluid te creëren? Misschien een kussen op mijn hoofd binden? Camera aan?

Voor de literatuur is het niet slecht, de wending naar het orale. Als je tekst niet langer vastlegt op papier, wordt je verhaal ongrijpbaarder en vloeiender, wat zo ongeveer de bedoeling is van literatuur. Althans, dat laatste zegt Rebecca Solnit in haar essaybundel A Field Guide to Getting Lost, die ik heb meegesleept naar mijn slaapkamertent. In haar essays heeft ze het over het belang van onvindbaar worden, verloren raken.

Ze citeert de dichter John Keats, die uitlegt welke Negatieve Capaciteit je nodig hebt om een verdienstelijk mens te worden. Je moet in staat zijn om in „onzekerheden, mysteries, twijfels” te verkeren, zonder wrevelig te reiken naar feit en rede. Je moet, zegt Solnit, bereid zijn jezelf te verliezen.

Dat is allemaal prachtig, maar literatuur wordt natuurlijk alleen ongrijpbaarder als je die uitspreekt en ter plekke laat vervluchtigen. Niet als je jezelf opneemt en gedigitaliseerd opstuurt naar de wereld. Je wordt er bepaald niet onvindbaarder van. Ook de staat is immers geïnteresseerd geraakt in het lichaam: er is een run op biometrische gegevens. Beeld en geluid worden verzameld en gebruikt voor identificatie van burgers. Literatuur mag dan gaan over verloren raken, de staat gaat over gevonden worden.

Op zoek naar een Nederlandse vertaling typ ik online de titel in van Solnits boek– ‘Rebecca Solnit Field’ typ ik – en meteen verandert mijn kritische onderbewustzijn dat in ‘Rebecca Solnit Filed’. Kijk eens aan, mijn onderbewustzijn kent de verhoudingen in de wereld beter dan ik. Je kunt wel lyrisch schrijven dat je verloren en mysterieus door de velden dwaalt, maar in feite ben je gearchiveerd, opgeslagen, ingedeeld, vastgelegd. De moderne wereld is een zoekmachine en die vindt je.

Binnenkort worden foto’s van alle Europeanen toegankelijk voor de Europese autoriteiten om door te spitten met behulp van gezichtsherkenningssoftware. Tot nu toe regelde het Prüm-Besluit, een raadsbesluit van de EU, dat vingerafdrukken, DNA-gegevens en kentekens automatisch mogen worden gedeeld tussen EU-landen. Nu komen daar foto’s van alle burgers bij.

Dat natuurlijk vanwege de strijd tegen terreur. Europese burgers denken nogal eens dat die befaamde ‘war on terror’ van president Bush wordt gevoerd door vreemde mogendheden in verre woestijnen. Het wil nog niet goed doordringen dat we er middenin zitten. De oorlog tegen terreur wordt gevoerd op Europese pleinen en stranden, in Europese straten en velden, op basis van camerabeelden, met alle Europese burgers als verdachten.

Er is geen enkele aandacht voor. Er is geen democratisch debat over gevoerd. De intellectuele cultuur is een historiserende cultuur, gericht naar het verleden, naar hoe het is gekomen, niet naar wat staat te gebeuren. Toch is het nodig te begrijpen hoe urgent, hoe spoedeisend een algeheel verbod op gezichtsherkenningssoftware is. Het mag nu toch wel duidelijk zijn dat de oorlog tegen terreur alleen maar leidt tot meer ellende.

Biometrische identificatie op afstand bedreigt onze fundamentele rechten en vrijheden; en wel zodanig dat ze het bestaan ervan in gevaar kunnen brengen, zeggen de European Data Protection Board en de European Data Protection Supervisor. De voordelen wegen niet op tegen de gevaren, zegt de directeur van Amnesty in Oostenrijk, waar het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft toegegeven dat gezichtsherkenning is ingezet bij demonstraties. „We betalen een enorme prijs.”

Welke prijs? Het einde van de anonimiteit. Het einde van de argeloosheid. Je lichaam wordt een bewijsmiddel in andermans oorlog. Onder het alziend oog van hogere machten kun je geen verdienstelijk mens meer worden, om John Keats te citeren, want je kunt jezelf niet meer verliezen, je wordt vastgelegd. Zo gauw het Prüm-Besluit eenmaal is aangepast, ben je nooit meer onbespied. Nooit meer. Nooit meer.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.