Jolien Dopmeijer: „Deze groep groeit op in een prestatiegerichte maatschappij, die veel van hen verwacht. Ze verwachten ook veel van zichzelf.”

Foto Sake Elzinga

Interview

‘De lat ligt hoog voor jongeren, presteren is de norm – en snel graag’

Interview Jolien Dopmeijer Hoe komt het dat zoveel jongeren somber of angstig zijn? En wat is er aan te doen? „Corona heeft er een vergrootglas op gelegd.”

Somber, onrustig, eenzaam: een kwart van de jongeren tussen de 18 en 25 jaar voelt zich mentaal niet goed, bleek onlangs uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Corona is een van de oorzaken, maar er is meer aan de hand. „Het gaat met een grote groep jongeren gewoon niet zo goed”, zegt Jolien Dopmeijer. „Corona heeft er een vergrootglas op gelegd.”

Dopmeijer is projectleider Studenten bij het Trimbos-instituut en docent en onderzoeker aan de hogeschool Windesheim. Ze promoveerde begin dit jaar aan de Universiteit van Amsterdam op onderzoek naar het welzijn van studenten. Daarvoor onderzocht ze gedurende zes jaar, pre-corona, duizenden studenten van verschillende opleidingen. Haar conclusies: ruim 50 procent bleek regelmatig last te hebben van angst- en somberheidsklachten, 40 procent voelde zich eenzaam en ruim 70 procent ervoer veel druk om te presteren.

Lees ook: CBS: Een op de vier jongvolwassenen is somber, ongelukkig en eenzaam

„Zorgelijke cijfers, maar het verbaasde me niet”, zegt Dopmeijer – die inmiddels de laatste hand legt aan een groot landelijk onderzoek naar studentenwelzijn in opdracht van de ministeries van Onderwijs en Volksgezondheid. „We zien in vergelijkbare onderzoeken in andere westerse landen hetzelfde beeld opduiken.”

Belangrijke nuancering: als de helft van de studenten aangeeft zich regelmatig somber of angstig te voelen, betekent dat niet per se dat zij in grote psychische nood verkeren. Dopmeijer: „Ik stel geen diagnoses. Als je de cijfers uit elkaar trekt, zie je dat het grootste deel in enige mate of regelmatig last heeft van somberheid, angst en opgejaagdheid en dat ongeveer 15 procent écht aan de ernstige kant zit. Die groep heeft vaak last van depressieve en angstige gevoelens. Dat is de groep waarvan we vermoeden dat er sprake is van een psychische aandoening.”

Dat is nog steeds een hoog percentage. Hoe verklaart u dat?

„Dit zijn jonge mensen met veel stressoren op hun pad. Deze groep groeit op in een prestatiegerichte maatschappij, die veel van hen verwacht. Ze verwachten ook veel van zichzelf: wie faalt, heeft dat aan zichzelf te danken, is de gedachte. De lat ligt hoog, presteren is de norm – en graag snel een beetje. Door het leenstelsel is er nog eens extra financiële druk bijgekomen. Wie vertraagt, komt in de problemen. Dat heeft onmiddellijk consequenties.”

Er moet ’n klimaat komen waarin een jongere durft te zeggen: ik trek ’t niet meer

Welke?

„Langer lenen, een opeenstapeling van toetsen en opdrachten die nog afgerond moeten worden, nóg meer stress en uiteindelijk studie-uitval. Dat geeft een enorme druk waardoor studenten blijven doorrennen om te voldoen aan de verwachtingen. Zeggen dat je het niet redt of dat het even niet zo goed gaat, is heel beangstigend. Ze zijn bang er niet bij te horen. Vergeet niet dat het voor jonge mensen vaak om één ding draait: erbij horen, je plek vinden tussen anderen. Wie ben ik in de ogen van anderen als ik niet voldoe aan de verwachtingen?”

Dit gaat soms zo ver, zegt Dopmeijer, dat studenten doen alsof ze nog studeren, terwijl ze allang gestopt zijn: het fenomeen pretend-student. Betrouwbaar onderzoek naar die groep ontbreekt, maar ze vermoedt dat hun aantal stijgt onder invloed van de toegenomen druk.

Het is dus een mythe dat de studententijd de leukste tijd van je leven is.

„Ja, precies. Al zijn er natuurlijk nog steeds heel veel studenten die er lekker doorheen rollen. En er is ook niks mis met stress, dat hoort erbij. Mijn zorg is de groep die te veel stress ervaart, te vaak somber is. Dat is een kwetsbare groep: we weten uit onderzoek dat 75 procent van de psychische problematiek ontstaat voor het 24ste levensjaar. Als je klachten op tijd signaleert en adresseert, kun je levenslange consequenties voorkomen.”

Dopmeijer ziet een belangrijke rol weggelegd voor opleidingen en docenten. In haar proefschrift legt ze een verband tussen de mate waarin studenten zich thuisvoelen op hun opleiding en hun welzijn. Hoe meer ze zich thuisvoelen, hoe beter het met hen gaat en hoe beter hun klachten te hanteren zijn. „Ze studeren dan niet alleen beter, ze vóelen zich ook beter”, zegt ze. „Voel je je veilig, voel je je onderdeel van een groep? Dat zijn belangrijke indicatoren. Het mooie is dat opleidingen daarop kunnen sturen: probeer aansluiting te vinden met je studenten. Zorg dat ze zich gezien en gewaardeerd voelen.”

Bijna alle universiteiten en hogescholen hebben studentenpsychologen. Is dat niet genoeg?

„Studenten die daar komen, zijn vaak al zo ver in de problemen geraakt dat hun resultaten eronder lijden. Ik mis preventie, daar kun je al mee beginnen op de basisschool. Leer hen hoe je met moeilijke situaties omgaat. Maak duidelijk dat je gewoon fouten mag maken en leg uit dat het normaal is je af en toe niet lekker te voelen. Ongeluk hoort bij het leven, elke dag geluk nastreven is onrealistisch. Hoe zie je het verschil tussen een dagje somber zijn en een depressie? Als je dat beter weet van jezelf, kun je tijdig hulp inschakelen. Dan moet je dus wel een klimaat scheppen waarin jongeren dúrven zeggen: ik trek het niet meer.”

Wordt er niet al behoorlijk veel gepraat over psychische problemen?

„Klopt, en tóch is het moeilijk om ze te herkennen bij jezelf en anderen. Deels is het nog steeds een taboe. Dat ligt ook aan de leeftijd: jongeren willen zélf hun zaakjes regelen en niet meer bij hun ouders of docenten aankloppen. Voor een deel kúnnen ze het ook zelf oplossen. Jongeren zijn veerkrachtig, maar overschat ze niet.”

Lees ook deze interviews met jongeren in coronatijd: ‘Jongeren zijn behoorlijk flexibel, maar ze hebben het nu echt zwaar’