De advocaat die ze niet op een rijtje had

De Zitting Wat moet een advocaat doen om uit het ambt te worden gezet? Mr. O. gaf het voorbeeld.

De Zitting

Toen mr. O. in 2017 haar verliesgevende familierechtpraktijk verruilde voor het strafrecht ging het eigenlijk meteen al mis – opmerkelijk snel, voor iemand die al zestien jaar advocaat was. Ze leek het strafrecht noch het strafprocesrecht onder de knie te hebben. Ze deed verzoeken die juridisch niet konden, stelde verweren op die niet klopten en schatte procedures fout in. Op zittingen veroorzaakte ze ‘gekromde tenen’.

De plaatselijke Orde van Advocaten werd van alle kanten getipt. Waarna er verplichte coaching werd opgelegd door ervaren strafadvocaten, op háár kosten. Dat leidde tot niets, vanwege „belemmeringen” in haar persoonlijkheid en haar „verdedigingsmechanismen”, zo werd gerapporteerd. Ze heeft onvoldoende „wets- en richtlijnkennis” en is „heel eigenwijs”, vond haar coach. Weliswaar volgde ze cursussen strafrecht, maar feitelijk functioneerde ze op het niveau van een stagiaire „maar dan zonder patroon”. Een aanbod om op zijn kantoor mee te draaien, wees ze af. De coach haakt daarop zelf af.

De vele gesprekken over haar functioneren ervaart mr. O als „hersenspoeling”, mailt ze. De tweede coach vindt haar moeilijk te sturen. Het overleg verloopt warrig. Hij constateert dat ze bij een cliënt de plank volledig misslaat en zijn advies negeert een ingewikkelde zaak niet aan te nemen. De politie merkt intussen op dat als zij piketdienst heeft álle verdachten ‘verhoorbijstand’ krijgen. Ook als ze helemaal geen advocaat willen, juist iemand anders dan mr. O. wensen of gewoon willen bekennen. En dat ze eigenmachtig processen-verbaal corrigeert. In één geval trekt ze het verbaal uit de handen van een agent. Ook blijft niet onvermeld dat haar „tweehonderdste toevoeging” op het bureau volgens haar zelf feestelijk kan worden gevierd.

Bij de Orde raakt men er in de loop van 2019 van overtuigd dat mr. O. niet op te leiden is, noch te corrigeren. Aangezien ze ook minderjarigen en verwarde verdachten bijstaat, kwetsbare mensen dus, wordt de zwaarste sanctie toegepast. Onmiddellijke schorsing en ontzetting uit het beroep.

De tuchtrechter staat dat in mei toe. De uitspraak van 13.000 woorden leest als een script voor een tv-soap. Ze wordt behalve ernstig incompetent ook wollig en warrig genoemd en vermoedelijk geestelijk niet in orde. De tuchtrechter vreest ‘decompensatie’ bij mr. O. – een gedrags- of psychische stoornis. Er is sprake van gebrek aan realiteitszin, disproportioneel wantrouwen en vreemd gedrag. Zo zou zij bij dorpsgenoten gele en rode kaarten in de bus hebben gedaan „namens het universum” waarop ze met hel en verdoemenis dreigt.

Na de schorsing dwingt de Orde haar via een kort geding een specifieke zaak over te dragen. En om haar advocatenpas in te leveren – die ze vervolgens op de zitting met een tang demonstratief doormidden knipt.

Bij het Hof staat deze middag een kleine vrouw van midden dertig in jeans en wit overhemd die een normale indruk maakt en een vloeiend betoog van drie kwartier houdt – vooral over haar eigen verdiensten, vergezeld van een dik pak papier met ten minste elf bijlagen. Ze ontkent ooit „gele of rode kaarten” te hebben bezorgd, hoewel daar wel camerabeelden van zijn. Maar die ziet zij in de context van de „provocerende leugens en verdachtmakingen” door de politie. „Ze jagen op me.” Maar ze „werkt aan een grote zaak tegen justitie” waarin dit zal worden recht gezet.

Op de beslissing van de Raad van Discipline om haar te schorsen gaat ze niet in. Wel heeft ze procedurele bezwaren. Ze meent dat de handtekening van de deken op de stukken niet echt is. Ze bespreekt uitgebreid de wettelijke systematiek van de schorsing, de rol van de deken en de manier waarop het Hof de structurele fouten in de Advocatenwet kan corrigeren.

De deken laat het bij tien minuten waarin hij zijn bezwaren herhaalt en hardop twijfelt aan de psychische gesteldheid van mr. O. Rode kaarten uitdelen ziet hij als „verontrustend afwijkend gedrag”.

Waarom heeft ze geen (deskundige) advocaat meegenomen voor haar eigen tuchtzaak, vraagt de voorzitter. In de stukken noch in haar pleidooi bespreekt ze de gronden van de schorsing. Ook overschreed ze de wettelijke termijn om haar bezwaren schriftelijk uiteen te zetten.

„Ja, maar”, zegt mr. O, „voor dat recht gebruik ik de zitting.” „Daar zit nu precies het punt”, zegt de voorzitter. „Als u dat zo doet, gaat de zaak alleen al om die reden over de kop.” Het lijkt het probleem van mr. O ten voeten uit. Bij de tuchtrechter procedeert ze óók met een eigen interpretatie van de regels.

Het Hof wil van de deken weten in hoeverre de incidenten met de rode en gele kaarten moeten meewegen. Die antwoordt dat ze alleen als advocaat kan werken „als ze psychisch in staat is het vak uit te oefenen”. Denkt mr. O zelf dat ze psychische hulp nodig heeft? Nee, zegt ze. Advocaten staan onder grote druk, maar „ik bevries niet, ik handel. Ik heb een hele normale mentale staat.”

Het Hof van Discipline oordeelt acht weken later dat mr. O als advocaat moet worden geschrapt „om potentiële cliënten tegen haar optreden als advocaat te beschermen”: ze is ondeskundig, onverbeterlijk, onprofessioneel, kent haar beperkingen niet, handelt onbetamelijk, houdt vast aan een eigen realiteit, communiceert warrig en heeft een zorgwekkende beroepshouding.