Opinie

Ook in NRC was het na ‘9/11’ uit met de liberale euforie van de jaren negentig

De ombudsman

Drie dagen na het misselijkmakende ineenzijgen van de WTC-torens in New York trok de Volkskrant-criticus Michaël Zeeman al een breed cultureel karrenspoor. „Als ik me niet vergis”, begon hij nog bescheiden, was er nu „met een paar rake klappen” een einde gekomen aan „het lamme cultuurrelativisme van anything goes”. Want, aldus Zeeman: „Aan de sfeer dat er niets op het spel zou staan zolang het maar goed gaat met het postmodernisme en het neoliberalisme, is gewelddadig een correctie toegebracht.”

Een cultuurhistorische ‘correctie’, aangebracht door een stel misogyne jihadisten – toe maar.

Het lijkt er niet op dat Zeemans stichtelijke voorspelling – of wens – in alle opzichten is uitgekomen. Ja, ‘neoliberalisme’ is inmiddels zo’n beetje synoniem geworden met alles wat fout, egoïstisch of asociaal is, dat wel. Maar postmodern kun je een natie gerust noemen die na anderhalf jaar afstand houden weer eens ouderwets uit zijn dak wil gaan op festivals of bij het brullen van motoren, terwijl een kabinet in staat van wording, dan wel vérgaande ontbinding, zich buigt over de proeve van een aanzet tot het begin van iets.

De verzuchting van de literair criticus (overleden in 2009) tekent scherp het bijna apocalyptische moment dat iedereen beleefde die op tv het tweede vliegtuig zag inslaan – telkens weer. Hier brak na de exuberante jaren negentig, waarin half Nederland slapend rijk dacht te kunnen worden, een nieuwe, grimmige wereld aan, klonk het alarmistisch of juist in oproepen tot kalmte.

Zo markeert ‘9/11’ een overgang van spel naar ernst, ook hier. In NRC Boeken kon ik me kort na de millenniumwisseling nog vrolijk maken over bezorgde burgers die na berichten over een millenniumbug (die niet kwam) hun badkuip uit voorzorg hadden laten vollopen. Het „oververhitte poldervolk”, schreef ik, was goedgemutst aan een nieuwe eeuw begonnen, volgens een inventarisatie van het weekblad Elsevier.

Dat was voorbij. Er volgde een decennium vol grote woorden, angst en chagrijn, met als ijkpunten de ontwrichtende politieke moord op Pim Fortuyn en de religieuze op Theo van Gogh, die ook Amsterdam de orkaan introk.

Bij het dagblad Trouw, in het katern Letter & Geest, werd de stormbal in top gehesen, uit naam van de westerse cultuur. Dat leverde opgewonden intellectuele polemieken en open brieven op, vrij uitzonderlijk in de Nederlandse journalistiek. Alsmede het merkwaardige verschijnsel dat een typisch kenmerk van dat gesmade cultuurrelativisme – namelijk het idee dat ‘cultuur’ zo ongeveer alles verklaart en ‘de onze’ de beste is – een geloofsartikel werd voor politici en publicisten die zich juist ostentatief tegen elk relativisme gingen afzetten, een Rita Verdonk voorop.

Dat de beursgenoteerde homo ludens van de jaren negentig het lachen nu was vergaan, dat stond ook bij NRC wel vast. NRC-criticus Arnold Heumakers stelde in een mooi essay na de moord op Van Gogh een vergelijkbare diagnose. Ook hij zag dat „de grenzen van het spel” waren bereikt. Van Gogh, afgeslacht door een zelfgebrouwen fundamentalist, had zich met jarenlange provocaties en polemische columns in de traditie geplaatst van Gerard Reve en W.F. Hermans, stelde Heumakers vast. Van Gogh combineerde de „ambivalentie van spel en ernst” van de eerste met de polemische „agressie en overdrijving” van de tweede. Alleen was het speelveld drastisch veranderd. „Voor wie de onuitgesproken spelregels niet accepteert of kent, is het altijd menens”, diagnostiseerde Heumakers. „Dat laatste is Van Gogh fataal geworden (wat beslist niet hetzelfde is als ‘eigen schuld’)”.

Het „altijd menens” klonk nog niet op volle kracht in een acute NRC-reportage van Arnon Grunberg, woonachtig te New York, direct na de aanslag. Er waaide de geur van een „barbecue” vanaf Zuid-Manhattan – een beeldspraak die niet iedereen op prijs stelde. Maar ook in die reportage, nog met één wankel been in een wereld vol ironie, kroop de ernst al onder de onthechting uit. Niet veel later voegde Grunberg, moralist voorbij goed en kwaad, zich als journalist-schrijver herhaaldelijk bij de NAVO-troepen in Afghanistan en in Irak.

Op de NRC-redactie, waar het die dagen alle hens aan dek was, leefde intussen, althans in mijn herinnering, ook nog de stille hoop dat dit nieuwe tijdperk kort zou duren. Was deze terreurdaad niet ook ‘gewoon’ groot nieuws dat wel weer over zou gaan?

Die hoop vervloog al snel toen bleek dat 9/11 nog maar het begin was van een reeks aanslagen en oorlogen en, ook in Nederland, van een woeste cultuurstrijd rond de islam, immigratie en ‘de westerse cultuur’ die de publieke ruimte niet meer heeft verlaten.

Onder recente hekelaars van NRC, vaak met een zwak voor de sterke man Poetin, heet het daarbij dat de liberale ‘NAVO-krant’ slaafs volgde waar George Bush wilde gaan: eerst naar Afghanistan, toen door naar Irak.

Dat ligt genuanceerder, al wist ook deze krant niet meteen waar die aan toe was in de nieuwe wereld. Wie het Commentaar er op naleest, merkt niets van oorlogszucht of slaafs Pentagonisme. Integendeel, er klinkt vooral – al een dag na de aanslagen in Amerika – de vrome wens om de ‘oorlog tegen terrorisme’ beperkt te houden tot „bestraffing van de daders en preventie”. Het laatste zou moeten bestaan, heet het een maand later, in „het brengen van welvaart en uiteindelijk democratie in de islamitische wereld”, en dan „niet met wapens, maar met hulp, advies, inzicht en geld”. Noem het naïef of aanmatigend, oorlogszuchtig is het niet.

En de inval in Irak dan, die ongerechtvaardigde en ellendige culminatie van Amerika’s ‘oorlog tegen terreur’, steunde NRC die niet? Ja, maar pas toen de bommen op Bagdad al begonnen te vallen en de oorlog een voldongen feit was. Toen was de keus, volgens de krant: Amerika of Saddam. Noem het binair.

Maar ook toen klonk het tandenknarsen in het Commentaar luider dan het sabelzwaaien. In de aanloop naar de inval had de krant gehoopt op „geduld en grondigheid”, aangedrongen op een tweede resolutie van de VN, en gewaarschuwd dat een casus belli ontbrak, evenals „het harde bewijs” dat Saddam massavernietigingswapens zou hebben.

Kort na 9/11 meldde het Commentaar dat „binnen de boezem van de regering-Bush twee zielen wonen”. Waarvan er duidelijk eentje, de agressief neoconservatieve ziel, „van de omstandigheden gebruik wil maken om oude rekeningen te vereffenen”.

Twintig jaar later vereffenden de Taliban op hun beurt een openstaande rekening. Voor hen was het altijd menens gebleven.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.