Opinie

Popmuziek is geen uit de hand gelopen hobby

Cultuur Sporters kunnen rekenen op empathie als hun wedstrijd wordt afgelast. Waarom heten popmuzikanten dan ‘verwend’ als ze hun afgeblazen optredens te berde brengen, vraagt .
Protestmars ‘Unmute Us’ in Amsterdam, op 21 augustus.
Protestmars ‘Unmute Us’ in Amsterdam, op 21 augustus. Foto Koen van Weel/ANP

Rock & roll komt van de straat – niet uit een klaslokaal. Die mythe, van het rauwe talent dat uit het niets opduikt, is hardnekkig. Een popmuzikant is vooral jong en, beter nog, achtergesteld, want pas dan is het echt, authentiek. Pas dan overtuigt zij/hij/het.

Dat is de mythe. Maar wat is de werkelijkheid?

Anders dan bij sporters, bij wie afzien deel uitmaakt van het entertainment, worden we geacht het beroepsmatig zwoegen en zweten van uitvoerende kunstenaars niet te zien. Dat zit ons genot maar in de weg. Om te genieten van een vederlicht zwierende ballerina willen we niet de ontluisterende blaren op haar verwrongen voeten zien; om te luisteren naar een briljante etude willen we niet zien hoe een hoogbegaafde pianist(e), ziek van de stress, voorafgaand in de wc kotst.

We zien het niet, maar we weten het wel; aan zulke overtuigende performances gaat een levenslange investering vooraf.

Voor popmusici geldt een andere standaard; daar mogen we de pijnlijke voorbereidingen niet alleen niet zien, maar moeten we ook geloven dat de beroepsmatige keerzijde er niet is. Als popmuziek is aangeleerd, heet het ineens ‘gemaakt’.

Kunnen atleten niet trainen of raken ze geblesseerd, en worden ze daarom boos, dan tonen publiek en media sympathie. Kunnen popmuzikanten niet repeteren of niet op een podium spelen, en raken ze daarover ontstemd, dan heten ze ‘verwend’.

Dat woord ‘verwend’ heb ik de afgelopen tijd vaak voorbij zien komen, onder meer als reactie op een column van muzikant Jett Rebel in de Volkskrant. („Ik snap dat wij als muzikanten niet zoveel geld opleveren als toerisme of de horeca, maar staan we daarom permanent onderaan de prioriteitenlijst?”) Verwend, dat zijn alleen popmuzikanten. Niet boze of verdrietige atleten en zelfs niet muzikanten uit een andere muziekcategorie (die men dan weer graag ‘musici’ noemt).

Hoe komt dat beeld, van verwend zijn, tot stand?

Niet cool

Dat je als muzikant iets moet aanleren, dat je hard moet studeren, is niet cool – tenminste, niet als het popmuziek betreft. Pop moet je met hart en ziel spelen – en vergeet vooral niet plezier te hebben. En ja, als je je hart niet kunt luchten, je geen plezier kunt hebben en je daarover in de rats zit, dan heet je in een pandemie al gauw verwend. Maar de werkelijkheid is anders.

Om goed te worden als popmuzikant, moet je zoeken, steeds maar weer. Dag en nacht ben je bezig met zoeken. Dat creatief zoeken, naar een specifieke eigen klank, mooie melodische lijn, compositorische verrassing, kost veel mentale kracht, doorzettingsvermogen, vertrouwen (dat je telkens dreigt te verliezen) en hardnekkige toewijding.

Op school volg je een pretpakket, op het conservatorium schrijf je, oh leuk, iedere dag een liedje

Stel je voor: je loopt vijf uur per dag door het bos om de meest uiteenlopende paddenstoelen te zoeken voor een verrassende paddenstoelenragout. Je onderzoekt allerlei recepten, probeert kruiden, bak-, stoom- en braadtijden uit en na heel veel voorbereidingen getroffen te hebben krijg je een telefoontje en wordt het diner afgelast. Daar sta je dan in je keuken.

Zou iemand je dan verwend noemen? Zou niet iedereen begrip hebben, en misschien zelfs heel goed zijn best doen om het etentje toch mogelijk te maken? Het publiek kennis laten maken met je vondsten is een belangrijk ijkpunt in je ontwikkeling als muzikant, van daaruit weet je de richting waarin je verder moet zoeken. De zoektocht is een ontwikkeling die vroeg inzet en levenslang doorgaat, met vallen en opstaan. Uit dat groeiproces kunnen de mooiste uitvoeringen ontstaan.

Helaas begint de vooringenomenheid jegens popmuzikant als beroep al op de middelbare school. Een creatief lesprogramma heet al gauw een ‘pretpakket’. Het studeren van popmuziek wordt vaak afgedaan als ‘oh wat leuk, elke dag een liedje maken’. En het beroep popmuzikant tenslotte, wordt al te vaak gezien als een uit de hand gelopen hobby.

Lees ook: In de murw gebeukte popsector is niet alleen het geld, maar ook het geduld op

Even geen ‘entertainment’

Corona hakt er extra in. Want als je muziek met plezier speelt (lees: voor je plezier), dan zijn er zwaarwegende argumenten om optredens af te gelasten. Dan maar even geen ‘entertainment’; we zijn nu heel serieus bezig te overleven.

We hebben het over inkomstenverlies, bedrijven die failliet gaan, verbinding en ontspanning die uitblijft. Maar we hebben het niet over een beroepsgroep; over de mensen die zich vanaf jonge leeftijd hebben ingespannen om dit beroep te kunnen uitoefenen, die zich daarvoor in de schulden hebben gestoken, die daarvoor een opleiding volgen.

Popmuzikanten zijn topsporters. Maar waar de politiek regelmatig morele overwegingen terzijde schuift om wedstrijden te laten doorgaan (‘want men heeft er zo hard naartoe gewerkt’), worden de belangen van popmuzikanten met een ongelooflijk gemak genegeerd. Dat vind ik onbegrijpelijk.

Popmuzikanten voelen zich niet serieus genomen – en gezien de oneerlijke en moeilijk te doorgronden maatregelen worden ze dat ook niet. Het ministerie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap schrijft op de eigen website te willen dat „iedereen cultuur kan beleven en dat leraren, kunstenaars en wetenschappers hun werk kunnen doen”. Maar die belofte wordt nu stelselmatig en al te gemakkelijk met voeten getreden.

Het faciliteren van live popmuziek is noodzakelijk. Want popmuziek is veel, heel veel, maar het is niet de spreekwoordelijke kers op de taart.