Reportage

Groene kunstmest? Nog een lange weg te gaan

Industrie Om grote bedrijven als Dow, Tata en kunstmestfabriek Yara op termijn op waterstof te laten draaien, zijn miljarden nodig.

De schoorstenen van de kunstmestfabrieken van Yara. Op de voorgrond windmolens in de Koegorspolder.
De schoorstenen van de kunstmestfabrieken van Yara. Op de voorgrond windmolens in de Koegorspolder. foto Theo Audenaerd/HH

Gijsbrecht Gunter doet er niet geheimzinnig over. Dat kunstmestfabriek Yara Sluiskil in grote hoeveelheden allerlei stoffen uitstoot, waaronder 2 procent van de nationale CO2-emissie, maakt de manager tijdens een rondleiding zonder omhaal duidelijk. Op de top van de schoorsteentoren gaat Gunter enthousiast alle pijpen van het enorme complex langs, zodat het de onervaren luisteraar gaat duizelen (en Gunter uiteindelijk zijn volgende afspraak zal missen).

Dáár, bij die toren, gaat naast waterdamp en wat CO2 ook wat ammoniak met de witte pluimen mee de lucht in, wijst hij. Verderop nog wat ureumstof. „En deze gaf vanochtend een bruin wolkje toen ik aan kwam rijden.” Storinkje, nu is alles weer in orde.

Dan draait hij zijn hand naar twee kleine, weinig opvallende schoorstenen. Ze steken maar enkele meters boven het buizengeweld uit. „We trekken in die fabriek aardgas binnen en water. Dat gaat door een grote buis met een katalysator van ijzer.” Het resultaat: waterstofgas waar je ammoniak en vervolgens kunstmest mee kunt maken. En CO2 – heel veel CO2: jaarlijks zo’n twee miljoen ton.

Gaat het in Nederland over grote industriële vervuilers, dan gaat het bijna altijd over Tata Steel. De bekende staalfabriek is met 6,6 procent van het totaal van 166 miljoen ton per jaar de grootste CO2 uitstoter van Nederland.

Lees ook: De uitstoot van Tata Steel kan gevaarlijk zijn voor kinderen. Maar de politiek kan niet ingrijpen

Kijk je naar de uitstootdata van bedrijven die meedoen aan het Europese emissiehandelsysteem, dan zie je dat Nederland veel meer grote vervuilers kent. Voor een deel gaat dat om bedrijven die op termijn vermoedelijk niet meer in hun huidige vorm bestaan. Dat zijn bijvoorbeeld energiecentrales – ongeveer 17 procent van de uitstoot – en bedrijven met een onduidelijke toekomst, zoals raffinaderijen, verantwoordelijk voor ongeveer 8 procent van de Nederlandse uitstoot.

Maar bijna 20 procent van die emissie komt uit industriële bedrijven waarvan de wereld de producten hoogstwaarschijnlijk nog langere tijd zal willen gebruiken – en waar dus een oplossing voor moet komen. Van voedselproducten tot bouwmaterialen en chemicaliën. Vaak gaat het om complexen aan de rand van het land. Denk aan de chemische fabrieken op het Chemelot-terrein in Geleen, die goed is voor ongeveer 2,7 procent van de totale CO2-uitstoot. Of Dow Chemical in Terneuzen, een van de grootste plasticfabrieken van het Amerikaanse concern.

Soms zijn de namen minder bekend. Air Liquide, leverancier van industriële gassen bijvoorbeeld, verantwoordelijk voor 0,4 procent van de uitstoot. En wie herkent de voor de wind zeilende vikingboot, het logo van Yara Sluiskil?

Waar heeft Yara dat geld uit Den Haag voor nodig? En waarom kan het niet zelf betalen?

Al deze bedrijven moeten de komende jaren flinke stappen maken. In Den Haag gaan de laatste tijd meer stemmen op om de fabrieken daarbij concreet te hulp te schieten, met geld. ‘Groene industriepolitiek’, noemen ze dat op het Binnenhof. Waar heeft een bedrijf als Yara, onderdeel van een Noorse kunstmestmultinational, dat geld voor nodig? En waarom kan het de vergroening niet zelf betalen?

Prik

„In Zeeuws-Vlaanderen kent iedereen wel de kunstmestfabriek”, vertelt Gijsbrecht Gunter in zijn kantoor. Het gebouw bij de ingang van het terrein stamt uit 1929 – toen werd de Compagnie Neérlandaise de l’Azote (CNA) opgericht, de voorganger van Yara. Het logo prijkt nog in glas-en-lood boven de houten deur. „Maar we zijn inderdaad vrij onbekend. De afstand tot Den Haag en de Randstad is groot.”

En dat terwijl Yara Sluiskil (680 werknemers) de grootste kunstmestfabriek van Noordwest-Europa is. Tijdens een fietstocht over het terrein trekt Gunter een deur open van een 280 meter lange loods. Binnen liggen duinen van grijze korrels opgeslagen: een deel van de kunstmest die de fabriek maakt. In feite zijn het korrels ureum, die gewassen beter laten groeien. In totaal maakt de fabriek vijf miljoen ton eindproduct per jaar, die de hele wereld overgaat, zegt Gunter.

Net als bij Dow, Chemelot en Tata Steel is de oorzaak van de hoge CO2-uitstoot een chemische reactie in de fabriek waarbij CO2 ontstaat. Maken van het product levert simpelweg CO2 op. Voor staal laat je kolen reageren met ijzererts. Voor kunstmest aardgas met water. Beide processen leveren veel CO2 op.

Volgens de emissieregistratie stoot Yara 3,3 megaton broeikasgassen uit. Maar dat gaat niet allemaal de lucht in, haast Gunter zich te zeggen. „Van de 3,3 miljoen ton is 2,2 miljoen zuivere CO2. Daarvan gebruiken we 1,4 voor allerlei producten.” In feite levert Yara CO2 aan klanten: frisdrankproducenten die prik nodig hebben, de vaccinfabrikant die vaccins moet koelen. „Die CO2 gaat niet hier de lucht in, maar als jij ergens een biertje zit te drinken.”

Maar goed – dan blijft er nog zo’n twee miljoen ton CO2 over. Bij Yara weten ze dat dit de komende jaren moet veranderen. De urgentie mag bij Tata Steel het hoogst lijken, ook in Zeeland weten ze dat de fabriek zo niet door kan werken, wil ze in 2050 klimaatneutraal zijn. Dat moet volgens het Klimaatakkoord van Parijs. Ze hebben bij Yara ook wel een idee hoe ze groener kunnen worden. Een idee dat overeenkomt met dat van veel andere industriebedrijven.

Onder de Noordzee

Op de lange termijn is dat: kunstmest op basis van groene – dus met groene stroom gemaakte – waterstof. Maar wanneer dat volledig kan, is nog onduidelijk. In 2020 schreef NRC al over de ambitieuze waterstofplannen van de overheid en Nederlandse bedrijven, en over de gigantische hoeveelheden stroom die daarbij nodig zijn. Wanneer en hoe dit gerealiseerd gaat worden, is nog altijd erg onduidelijk. Langzamerhand begint de Nederlandse overheid wel te investeren in een waterstofinfrastructuur. Uit het Nationaal Groeifonds gaat de komende jaren op z’n minst 73 miljoen euro naar de aanleg van een waterstofnetwerk, zo bleek eind vorige week.

Voor de korte termijn is een andere oplossing nodig. Want al voor 2030 moet de uitstoot volgens het Klimaatakkoord van Parijs fors zijn gedaald. Om een reductie van 30 procent te bereiken ten opzichte van 2018, wil Yara vanaf 2026 alvast 0,7 megaton CO2 per jaar opslaan onder de Noordzee, het liefst samen met Zeeland Refinery en Dow. Dat zijn de ‘grote drie’ van Zeeland, die ervoor zorgen dat de provincie de hoogste CO2-uitstoot per persoon heeft.

Hoewel Zeeland bij veel mensen het imago heeft van een strand- en vakantieprovincie, is het in feite een zeer industriële regio. Met name rondom Terneuzen: vanaf de schoorsteentoren van Yara zie je Dow (3.500 werknemers) en in de verte, aan de andere kant van de Westerschelde, Zeeland Refinery (400 werknemers). Voor je ogen gaat in totaal ongeveer 5 procent van de nationale uitstoot de lucht in.

Deze clustering kan de komende jaren helpen, hopen de fabrieken. Gezamenlijk CO2 opslaan kan kosten beperken en maakt het mogelijk kennis te delen. Yara Sluiskil is een grote vervuiler met een relatief klein team: het heeft een paar man om de klimaatplannen uit te werken – hoewel uiteraard vanuit Oslo wel meer experts betrokken zijn, benadrukt Gunter. Binnenkort wordt de gezamenlijke subsidieaanvraag ingediend.

Waarom niet meteen inzetten op waterstof in plaats van eerst CO2 afvangen? Gunter kent de vraag, zegt hij: Urgenda en Greenpeace stelden die ook aan hem toen ze in Sluiskil op bezoek waren. CO2 afvangen kan regelmatig op kritiek rekenen van milieuorganisaties, omdat dit het probleem niet aan de bron oplost.

Gunter: „Als wij direct naar groen willen, hebben we een elektrolyser [waterstoffabriek] nodig van 2,2 gigawatt. Daar heb je echt heel veel stroom voor nodig. Dat is 4,5 keer de kerncentrale van Borssele.”

Waterstof

In zekere zin doet de situatie in Sluiskil denken aan de jaren zestig. Lang werd hier kunstmest gemaakt op basis van kolen. Totdat het Groningse gas werd gevonden en er in no-time een 400 kilometer lange pijpleiding lag die Zeeuws-Vlaanderen verbond met Noord-Groningen: kunstmest op aardgas was geboren.

Eigenlijk wacht Gunter op een nieuwe Groningen-pijplijn – maar nu voor waterstof. En, nog veel belangrijker: zonder dat een ‘Groningen-waterstofveld’ is gevonden.

Dat is niet het enige probleem. Om ervoor te zorgen dat complexen als Dow, Tata en Yara CO2 kunnen opslaan en op termijn op waterstof kunnen draaien, zijn óók miljarden euro’s nodig. Gunter wil voorzichtig een cijfertje plakken op de investeringen in waterstof en CO2-opslag bij Yara: een half miljard euro. Maar eigenlijk is dat bedrag volgens hem nauwelijks het probleem. De moeilijkheid is veeleer dat het nu, en vermoedelijk nog decennia hierna, onrendabel is om de nieuw te bouwen installaties te exploiteren én concurrerend te blijven op de wereldmarkt. In industrietermen: er is een „onrendabele top”. Een precies bedrag wil Gunter daar niet op plakken: er zijn volgens hem allerlei voorbehouden, met name de prijs van CO2-emissierechten. Als die stijgt, wordt groene kunstmest op de markt brengen sneller rendabel.

Over de rol van de overheid bij de financiering van een en ander komt het debat pas net los. De laatste weken hoor je het in Den Haag steeds vaker: ‘groene industriepolitiek’ gaat in het volgende kabinet een grote rol spelen. De term stond in het formatiestuk van VVD en D66, en afgelopen week bleek dat ook het CDA er veel voor voelt. Linkse partijen zien al langer meer in een-op-een-afspraken met bedrijven.

Wat er ook komt, het moet het huidige subsidiestelsel vervangen. Dat is ingewikkeld en voldoet niet aan de noden van sommige fabrieken, vinden politiek en industrie. Gunter noemt een paar subsidies op: het Nationaal Groeifonds, de VEKI, de SDE++. „Het is een woud aan regelingen waar je op aan het schieten bent met projecten.” Onder de verschillende regelingen mogen bepaalde plannen wel en andere weer niet. Voor CO2-afvang en opslag kunnen bedrijven aanspraak maken op SDE++-subsidie. Voor grootschalige waterstofplannen kunnen ze nergens terecht. Liever gewoon één keer om tafel met een bedrijf, een paar miljard ertegenaan gooien en snel vergroenen: bot samengevat is dat nu het idee.

Maar wacht even: waarom zou de burger überhaupt mee moeten betalen aan de vergroening van Yara? Wat moet Nederland met deze fabriek?

Gijsbrecht Gunter gebruikt het argument dat je wel vaker hoort – ook bij Tata Steel. Kunstmest blijft nodig, dus dan kunnen we het beter hier zo snel mogelijk vergroenen dan de problemen op z’n beloop te laten door ze naar het buitenland te verplaatsen. „In China maken ze het deels nog steeds op basis van kolen.” Hier vergroenen biedt volgens Gunter juist een kans snel zoveel mogelijk groene kunstmest op de wereldmarkt te brengen.

Kan Yara het niet zelf betalen? „Vorig jaar hadden we als concern 690 miljoen dollar winst, op een omzet van 12 miljard.” Een keer de jaarwinst is dan toch meteen voldoende voor de eerste investering die bij Sluiskil nodig is? „We hebben dertig fabrieken”, zegt Gunter. Goed, niet allemaal zo groot als Sluiskil, maar een stuk of drie hebben wel die omvang. En uiteindelijk zal er ook wel iets van winst moeten overblijven, zegt hij – ook al is de Noorse staat voor 43 procent eigenaar van Yara.

Gezien de brede overeenstemming over groene industriepolitiek ziet het er voorlopig voorzichtig goed uit voor Yara. Maar het blijft spannend, zegt Gunter. Qua technische haalbaarheid moet nog heel veel onderzocht worden. Mede daarom bouwt Yara de komende jaren alvast een waterstofproeffabriekje: zo kan het bedrijf oefenen met opname van de stof in het proces, wat er komt kijken bij opschalen en leren omgaan met veiligheidsaspecten van waterstof.

Het liefst betrekt het Zeeuwse industrieconsortium ook de staalfabriek van ArcelorMittal in Gent bij alle plannen. Dat is een van de grootste uitstoters van België, en hij ligt vlakbij – je ziet ’m in de verte vanaf de schoorsteentoren van Yara. Samenwerking is handig, want zo wordt het CO2-opslagproject en een waterstofnetwerk nog efficiënter. En het klimaatprobleem kent toch geen grenzen.

Of wel? Gunter: „Dan krijg je te maken met vragen als: wil Nederland Belgische CO2 opslaan? Daar hebben we helaas ook nog geen antwoord op.”